Ik draai een nieuw vel papier in mijn schrijfmachine. Heerlijk om zo vroeg al achter de oude Underwood plaats te kunnen nemen. ‘Zo bedwing je de wereld,’ had professor Groeneboom gezegd toen hij me de glanzende machine gaf, uit dank voor mijn diensten als assistent, ‘met hamer en inkt.’ Ritmisch geratel vult de kamer. Notitie 47. De hanengevechten – een herinnering: Met zijn negen jaar was de jonge Bennink eigenlijk nog te klein voor de hanengevechten. Maar omdat hij de belangrijkste verzorger was van de beruchte vechthaan Blauwbaard waarmee zijn vader nu al vierendertig wedstrijden gewonnen had, werd er voor hem eenmalig een uitzondering gemaakt. ‘Kijken of het jong mans genoeg is.’ Al dagen werd er gefluisterd dat Majoor Reinders – de man die de hanengevechten had geïntroduceerd – een nieuwe haan had laten overkomen uit Spanje; van het ras dat ook wel werd ingezet om de schapen te bewaken. Het moest een ongekend agressief beest zijn, dat evenals Blauwbaard nog nooit verslagen was. Die avond zouden de twee hanen elkaar voor het eerst treffen. Een affiche kondigde het clandestiene vermaak aan: ‘Het belangrijkste hanengevecht uit onze geschiedenis. Koning Blauwbaard, de onverslagene, zal het opnemen tegen El Payaso, de Spaanse nieuwkomer. Inzetten vanaf tien cent.’
Pachtland – 10.4. He...
door Konstantin Mierau
Eerst waren er flarden van vrouwengeschater, dan gejoel en geklap, nu is er een man aan het woord: ‘…geen graan op Grevinghs grond’. Gelijk heeft ie. Grevingh is geen boer; hij is pachtheer. Die zaaien niet, die bezitten. Ik bereik het karkas van het gebouw. Drie dozijn hoofden...
Pachtland 10.3 ̵...
door Bram Esser
Ik zit in een raamloze vensterbank. Troffels en touw vlak bij mijn voeten. Sponningen van ramen staan als gigantische staketsels te wachten op het glas en op toekomstige vergezichten. Nu is er niets te zien, alleen de zuigende diepte van de nacht. Een tijdlang kan ik geen lucht van aarde onderscheiden totdat er een lichtje verschijnt. Het is een lichtdrager die nadert over het inktzwarte bietenveld. Ik wend mijn gezicht naar de spreker en diens publiek.
Pachtland – 10.2. Be...
door Martijn Boven
‘Grevingh. Dat is de naam die tot ons is gekomen als een vloek.’ Mijn gehoor bestaat uit ruim dertig dorpelingen. Het wit van hun ogen keert zich naar me toe en weerspiegelt de vlammen van de fakkels. Hun hoofd zakt weg tussen hun schouders, hun knieën steken op onnatuurlijke wijze omhoog. Levende poppen, daar neergezet als getuigen, ook al zijn hun oren slechts mechanische sluiters en hun hersens niet meer dan gevoelige platen. Voor hen is het geluid der mensenkinderen nog nauwelijks te onderscheiden van het kraken der balken, het klapperen der zeilen of het fluisteren van de wind. Als mijn stembanden zich aanspannen, weet ik dat ook de trillingen die ik zelf voortbreng zich zonder veel gevolgen zullen mengen in dit klankenspel. ‘Het begon allemaal in 1892, in Oost-Indië. Reinders (die wij kennen als majoor, maar die toen nog kapitein was) en zijn ordonnans Grevingh verlaten het slagveld bij Lambaroe. Twee paar laarzen lossen op in het groen van de rimboe. Na een tocht van ruim een uur, bereiken ze hun bestemming: de hut van een bereidwillig Javaans meisje, pas onlangs in Kota-Radja aangekomen. De laarzen naderen de hut; één paar gaat naar binnen, het andere paar wacht buiten. Twee ploffen getuigen dat het schoeisel is uitgeschopt; zacht gerinkel verraadt het ontkoppelen van een zware, leren riem.’
Pachtland – 10.1. Le...
door Piet Devos
In het geflakker van de toortsen, die her en der zijn neergeplant in wat waarschijnlijk de centrale fabriekshal moet worden, bewegen zich tal van gedaantes. De reeds opgetrokken buitenmuren van kaal gewapend beton beschutten de lichtende vlammen afdoende tegen de sterke avondbries die over de wijd open vlakte komt aanzetten. Je kunt het hier echter moeilijk behaaglijk noemen, met die koude tochtvlagen die door de gapende deur- en raamkozijnen naar binnen kolken, en een onheilspellend orgelspel ten gehore brengen in het geraamte van stalen balken en spanten onder het nog maar halfvoltooide dak. De maansikkel gaat voorlopig schuil achter wolken van antraciet, maar in de richting van het dorp zijn wel nog enkele zwakke lichtjes te ontwaren. Zo zou de herbergier, om niet gelijk argwaan te wekken en deze bijeenkomst bij voorbaat te verraden, zijn tent gewoon openhouden. Toch zal er vanavond menige stamgast gemist worden...
Pachtland – 9....
door Bram Esser
Ik sta met een glas wijn in de hand en proost met Grevingh. In gedachten zie ik de rechter al zitten op zijn podium. Hij houdt dramatisch de papieren met het logo van mijn geliefde ministerie omhoog. ‘Dit, ingenieur Johannes Cornelis Roggeveen, is landverraad! Ik veroordeel u tot twintig jaar gevangenisstraf.’ ‘Ah grand cru, toe maar. U heeft uw adresjes’, zegt Grevingh spottend. ‘Mijn eigen adres, meneer Grevingh. Het lag bij mijn moeder in de kelder. ‘ ‘Nou proost, op de samenwerking.’
Pachtland – 9.3. Ben...
door Martijn Boven
Als ik de olielamp ontsteek, verschijnt er op de muur een kleine, zwarte schaduwplek die met grote snelheid heen en weer schiet. Morsecodes van een gevangen vlieg. In het cilindervormige glas van de lamp bonkt zijn geschroeide lijfje telkens weer tegen de onzichtbare wanden die zijn kleine wereld begrenzen. Smeltende vleugels zetten zijn onherroepelijke val in gang. Net buiten de lichtkring steekt een wit vlak scherp af tegen de modderige mat. Een envelop. In de rechter bovenhoek staat met hoekige drukletters: HET MINISTERIE VAN WATERSTAAT. Wat zouden die van me willen? Iemand heeft er in een heupwiegend kriebelschrift iets op geschreven: 'Bennink, het bijgevoegde afschrift heb ik in handen gekregen via een vriend uit Oost-Indië. Ik stuur het je als aanvulling op je archief. Je toegenegen dienaar, Johannes Roggeveen.' Aha. De ingenieur. Zijn ‘toegenegen dienaar’ klinkt nogal ironisch, maar je weet het nooit met hem. Er staat nog iets onder geklad: 'P.s. let vooral op de onderstreepte passage.'
Pachtland – 9.2. Lev...
door Piet Devos
Heerlijk weer eens zo'n malse biefstuk! Hoe lang hebben we die niet moeten missen? Die maaltijdsoepen mogen dan wel voedzaam en maagvullend zijn, ik had er wel even mijn buik van vol! Maar goed, Lidia kan het ook niet helpen, niemand eigenlijk. De wereldwijde malaise manifesteert zich allereerst op je bord. Zolang het vlees peperduur blijft en de vissers om de haverklap staken, kun je niet zoveel anders dan de karige aardappels en groenten waarmee de dorpelingen me tegenwoordig plegen te betalen, in één pan kwakken. 'Sorry, dokter, de baas houdt de vinger op de knip... al weken geen loon ontvangen... wilt u misschien wat schorseneren?' Als ik 's avonds naar huis fiets, met tassen vol piepers, met knollen en kroppen onder de snelbinder, en een mandje kakelverse eieren op het stuur lijk ik nog het meest op een ambulante groenteboer. Het doorgekookte prutje dat die dagelijkse oogst oplevert smaakt doorgaans niet eens zo verkeerd, maar appetijtelijk oogt het allerminst.
Pachtland – 9.1. Heb...
door Konstantin Mierau
De ochtendmist hangt nu boven de velden. De zon stijgt. Hier en daar een vroege boterbloem. Mijn gezicht is nat van de mist, en waterdruppels slaan neer op de tank tijdens het rijden. Het lege zijspan stuitert over de weg; ik ga te snel. Straks komt alles goed. Wat een vrouw. Ze zal boos zijn. Vorige zondag was ik er niet. Lag ik thuis te bloeden op de woonkamervloer. Ik heb zuidvruchten voor haar mee, die vindt ze lekker, en wat smaakt ze goed met die perziken in haar mond. Die mond.
Pachtland – 8.4. Rog...
door Bram Esser
Dof gedreun op de kasseien van het Azijnsteegje. Het echoot er tegen de huizen, vermoedelijk een bataljon van het een of ander. Dan zie ik het ook. Glimmende schoenen en gesteven tenues marcheren voorbij. Er wordt gezongen. 'Is dat de nieuwe politiek?' Ik ruik bijna de zeep die ze hebben gebruikt en ik zie de donshaartjes op hun kinderwangen. Mijn vriend Frederik Kolk knikt: 'Beweging is de term. Iets dat vanuit het volk komt en zich tegen de gevestigde orde richt. Dit is enkel de jeugdafdeling. Maar vergis je niet: het is al eens uit de hand gelopen hier. De volwassenen zijn al eens in elkaar gemept.' 'Door de vissers?' 'Ze houden niet van onrust en nieuwerwets gedrag.' Ik wist wel het een en ander van die vissers. Het verzet tegen de bouw van de haven vijftien jaar geleden was op ons ministerie een soort mythe geworden. Als het aan de vissers had gelegen, waren ze met bomschuiten blijven landen op het strand.
Pachtland – 8.3. Lev...
door Piet Devos
Van het raam, waarachter gestaltes langsgaan op weg naar hun zaterdagavondvertier, glijdt mijn blik steeds weer naar de brief in mijn hand. De slotalinea's ken ik intussen haast uit min hoofd: "Noch gedurende een van de herhaalde vraaggesprekken, noch tijdens andere, meer fysiologisch georiënteerde proefnemingen heeft de patiënte blijk gegeven van enige geesteszwakte of emotionele labiliteit. Zelfs mogelijke symptomen van hysterie, waarvan uw collega Bruinsma ons uitvoerig in kennis had gesteld, hebben zich binnen de muren van onze inrichting bij de patiënte nooit voorgedaan. Na een maand observatie hebben we dan ook besloten van iedere behandeling af te zien en mevrouw Grevingh, geestelijk gezond verklaard, onder geleide van haar echtgenoot die die dag op visite kwam, naar huis te laten terugkeren. Ik zal niet ontkennen, waarde vakgenoot, dat het gehele geval mij destijds nogal bevreemdde, maar ik ging uit van een overtrokken diagnose van een nu eenmaal psychiatrisch ongeschoolde huisarts. Derhalve heeft uw mededeling dat mevrouw Grevingh kort na het verlaten van de kliniek is komen te overlijden, mij ten zeerste geschokt."
Pachtland – 8.2. Ben...
door Martijn Boven
Jonge berkentakken reiken begerig naar het rode jurkje van de vluchtende avondzon. Uit hun loof drupt regenvocht. Ik spring op mijn fiets en laat de herberg achter me. Een koude windvlaag bijt zich vast in mijn verhitte gezicht. De fietsketting knarst klagend. Opnieuw heb ik niets bereikt. Het is zinloos om met de ingenieur een gesprek aan te gaan. Elke diepzinnige gedachte die zijn oor binnendringt, weerkaatst slechts enkele malen tegen de wanden van zijn schedel om vervolgens zijn mond te verlaten als een holle frase. De man is een klankvervormer, meer niet. En dan dat misplaatste geneuzel over film: 'Wat dit dorp nodig heeft is een nieuwe montage.' Als we de ingenieur moeten geloven is menselijke ellende enkel het gevolg van misverstand. 'Armen en behoeftigen', oreerde hij, 'begrijpen niet dat ze slechts personages zijn in een zelfgekozen film.'
Pachtland – 8.1. Heb...
door Konstantin Mierau
Tot aan zijn dood bouwde mijn vader schommelstoelen van eikenhout. In de avonden schaafde hij in de kamer. Een krul in de armleuning en een roos op de ruggensteun; meer versiering had het stuk niet nodig. ‘Pak de lijnzaadolie’, zei hij tegen mij, als hij er een af had. Moeders verachtte hem om zijn trage bewegingen. Ze werd onrustig van zijn kalmte als hij bezig was. Rake steken met de beitel, en geen blik voor haar. Hij werkte te langzaam om er iets mee te verdienen. Overal in het dorp stonden zijn stoelen.
Een kleine verhandeling over entropie
door Bram Esser
Lang heb ik gezocht naar een mogelijkheid om terug te keren. In mijn wanhoop gooide ik de zolder overhoop en zocht in een oude scheepskist tussen belastingpapieren naar flarden van vroeger. Soms vond ik wel iets. In een schoenendoos zaten teergevoelige kerstballen, zorgvuldig in kranten gewikkeld. Ik bevrijdde buiten het seizoen om en liet ze schitteren in de zomerzon. Rondom de piek zat een stuk krant, zo bleek, uit de periode van de waarlijke tijd.
Pachtland – 7....
door Bram Esser
Hij komt in een rechte lijn over het veld. Iets dat iemand die niet van hier is, nooit zou doen. Stedelingen houden van de boerenidylle maar ze zijn bang voor de boer en zijn onvoorspelbaarheid. Een boer kan ineens verschijnen, als je in zijn veld. Boeren hebben vaak een hooivork in de hand, of nog erger, een zeis. Gereedschap waarmee in de stedelijke fantasie van alles mee kan gebeuren in een vaardige hand. Als stedeling blijf je dus wel op de paden. Maar deze boer, nog in de kracht van zijn leven, steekt het veld diagonaal over, precies vanaf de plek waar zich een houtwal bevindt.
Pachtland – 7.3. Heb...
door Konstantin Mierau
De dochter van Grevingh kijkt uit het raam naar de moestuin. Veel te zien is er niet. Wat bieten en wat sla; daar krijg je geen trek van. Ze heeft een krul in haar mondhoek, bijna speels; haar rechterbeen is licht gebogen, enkel met de teen op de grond, wiebelend. ‘Sta daar niet zo rond. Pak wat te eten voor als ik klaar ben’. Ze knikt afwezig. De avonden zijn lang nu. De vermoeidheid slaat toe voordat de nacht valt. De kermis is weg en de dorpelingen halen het verzaakte werk in. Ik scheer me op de rand van de bedstee. Op de stoel voor me staat de halfblinde spiegel en de wasbak waarin water, zeep, haar en bloed zich mengen. De avondzon weerkaatst maar zwak van het erfstuk. Als ik het scheermes door het koude water haal ontstaan er draaikolken aan weerszijde van de snede. ‘Vroeger schoor ik me en dan leek ik jonger, nu ontbloot ik de rimpels.’ Ik moet weer de grens over. ‘Wat zeg je?’, vraagt ze, maar wacht niet op een antwoord en gaat in de linnenkast op zoek naar iets. ‘Niets’, zeg ik. ‘In die kast zit niets eetbaars, maak voort, vrouw, anders help ik je’. Ze schrikt op en gaat naar de haard om het vuur op te stoken. De kamer vult zich met de zoete geur van verbrande turf. De gelige rook breekt het licht van de avondzon. Een vlieg landt op de rand van de wasbak en loopt over de aders van een barst in het emaille.
Pachtland – 7.2. Ben...
door Martijn Boven
Lammert gaat voorop. Ik volg hem zwijgend. Zijn kapmes klieft het struikgewas. Hij doet dorre takken knappen en jonge twijgen zwichten. Hun sap roept tot ons vanaf de aarde. Aanvankelijk leek het een goed idee om Grevingh uit zijn huis te lokken, maar ik begin nu te twijfelen. Wat als we in de borg niets vinden dat mijn vermoedens ondersteunt? Of erger nog, als Grevingh ons betrapt? De wind ontmoedigt ons met oeroude bezweringen; boomwortels verzetten zich onhandig; in de verte klinkt een opstandig wroeten. Is hun oordeel al geveld? Of aarzelen ze nog? Beseffen ze dat Grevinghs aanspraken op deze grond even betwistbaar zijn als de wraakzucht die ons drijft? ‘We moeten opschieten’, roept Lammert zachtjes, ‘het loopt al tegen elven.’ Vreemd, vijf weken geleden noemde ik hem nog “de brandweerman”; vandaag sluipen we achter elkaar aan als trouwe broers. ‘Wat vind jij nu eigenlijk van die Grevingh?’, vroeg hij me destijds. ‘Die ploert heeft de commandant een brief gestuurd waarin hij schrijft dat de oefeningen op zijn terrein vanaf heden verboden zijn voor de militie die Lammert Brongers – ik dus – leidt. Mi-li-tie, dat was het woord dat hij gebruikte.’ Door Lammert weet ik vrij zeker dat Grevingh een militaire achtergrond heeft. Spoedig zullen we meer weten. Er moeten sporen te vinden zijn. Een uniform. Een insigne, wat dan ook.
Pachtland – 7.1. Lev...
door Piet Devos
Laat ik maar via de Schildersbuurt terug naar de Vismarkt lopen. Jacob zou er immers toch niet voor zessen zijn, en dan zie ik nog even hoe het inmiddels met ons oude huis gesteld is. ‘Vader hechtte altijd zoveel waarde aan zijn vak. Arts zijn beschouwde hij als een eer. Maar toen hij op het laatst uit Finsterveen werd weggestuurd, was het een gebroken man.’ De conclusie van mevrouw Bruinsma galmt nog steeds na in mijn hoofd, misschien ook omdat zij ze almaar bleef herhalen, ‘een gebroken man...’, terwijl ze het lege kopje op het schoteltje voor zich traag om en om draaide. De dochter van Bruinsma kon hoogstens vijfenvijftig zijn, maar desondanks sprak er al iets gezapigs, bejaards haast, uit haar manier van doen. Een gevolg van haar ongetrouwde status? Starend naar het aftandse biedermeierservies en het klavertjespatroon in het tafelkleed hoopte ze daar kennelijk de antwoorden te ontdekken op de vragen die ik haar kwam voorleggen. Het waren evenwel merkbaar vragen waarmee ze zichzelf al honderden malen eerder had gekweld; wat ik had gedaan, was niet meer dan een slecht geheelde wond opnieuw openrijten. ‘Hij had het idee schromelijk te zijn tekortgeschoten. Het enige wat hij erover kwijt wilde, was dat ze mevrouw Grevingh op het laatst nog in die beroemde kliniek voor zenuwlijders in Oegstgeest hadden opgenomen, maar het had niet meer mogen baten.’ Of ze ook in Oegstgeest was gestorven, wist mevrouw Bruinsma niet zeker. Maar als ik de directeur-geneesheer van die inrichting aanschrijf, kom ik daar wel achter. ‘Vader werd opgevreten door schuldgevoelens, dat zag je gewoon. Een gebroken man...’
Pachtland – 6.4. Ben...
door Martijn Boven
De Hoofdstraat is verworden tot een bruisende symfonie van lichamen waarin het stotende ritme van stribbelende dierenlijven zich paart aan de onregelmatige dreun van de veilinghamer. ‘Hoor ik zeventien? Die meneer met de bolhoed misschien? Niet? Eenmaal, andermaal, verkocht!’ Onderwijl zwelt het gejengel van het dreinend grut telkens aan om even later weer weg te zinken in zachte snikgeluiden, gedempt door roze suikerspinnen en warme oliekoeken. ‘Mama, ik wil een ijsco.’ ‘Niet nu, we gaan zo naar huis.’ ‘Neeeeh, ik wil een ij-ijsco.’ Tussen dit alles door klinkt de kwetterende sirenenzang van reikhalzende jonge vrouwen, wier lichtend gezicht gaten scheurt in de grauwe sluier van opstuivend stof. ‘Heb je gezien wat Dina bij die zigeuners heeft gekocht?’ ‘Nee, wat dan?’ ‘Een minuscuul zijden onderbroekje waar je zo doorheen kunt kijken.’ Mijn zinnen worden overspoeld met indrukken waarvan het lichaam verslag doet in afwisselende vlagen van levenslust en weerzin, hartstocht en weemoed. Ik nader het punt waar de Hoofdstraat aan beide zijden door huizen wordt geflankeerd. Lijven worden stijf tegen elkaar aan gedrukt. Het gedrang wordt zo hevig dat een kinderwagen door zijn wielen zakt. Het bonkige vrouwmens dat het gevaarte voortduwde, staat er zachtjes bij te jammeren. Een blauwe overall buigt zich naar voren en strekt zijn armen uit naar de zuigeling. ‘Hè,’ roept hij lachend, ‘er liggen alleen vier zakken aardappels in.’
Detroit: Voor altijd...
door Bram Esser
Wat ben ik? De belichaming van een gedachte? Misschien een hitte zoekend projectiel die, eenmaal afgeschoten, onverbiddelijk op z’n doel afgaat. In mij woont een vaag gevoel van geldingsdrang, oneindig verdund als een homeopathisch middel tegen de eeuwigheid. Menselijke, al te menselijke eigenschappen. Ondanks mijn onsterfelijkheid weet ook ik wat het is om van een moment te genieten. Dit is zo’n moment. Mijn oogleden openen zich als rolluiken en ik zie haar vanuit mijn opgeruimde schedel
Pachtland – 6.3. Lev...
door Piet Devos
'Komt prima in orde, meneer Levi! Wanneer u over twee weken naar de stad komt, staat dit paar prachtige kalfsleren molières precies op maat voor u klaar. U hoeft ze alleen maar te komen ophalen!’ Het vergenoegde gezicht van de schoenmaker glimt zowaar nog meer dan de verchroomde schoenlepel waar hij druk mee gesticuleert; de klanten overschouwend die elkaar in zijn krappe reisatelier verdringen, weet hij dat er nog meer zaken te doen zullen zijn eer de avond valt. Ik voel me toch ietwat opgelaten, zo wiebelig op één schoen en een kousenvoet, te midden van wie anders mijn clientèle is. Maar gelukkig voltooit zijn leerling met een laatste hamerslag het opkalefaterwerk aan mijn afgetrapte zool. ‘Zo, dit kan wel weer even, maar over niet al te lange tijd staat u opnieuw op straat’, waarschuwt de onheilsprofeet, terwijl hij me het opgelapte ding aanreikt. ‘Dat nieuwe paar zult u gauw genoeg nodig hebben!’
Pachtland – 6.2. Rog...
door Bram Esser
Op tafel, naast mijn aantekeningen, staat een kruikje met jenever. Ik ben niet gewoon te drinken, maar Popko, de herbergier met wie ik veel schaak speel, verzekerde me dat het in deze streken geldt als medicijn. ’Kijk, het zit zo, vanwege het veen heb je hier nooit vaste grond onder de voeten. Je waggelt en je zwalkt en dat geeft een gevoel alsof je zeeziek bent. Deze schnaps, die in andere streken het evenwichtsorgaan verstoort, werkt hier juist stabiliserend.’ Ik moest lachen en was bereid me, in ruil voor enkele muntstukken, voor de gek te laten houden. Met Schaken verloor ik altijd van Popko.
Pachtland – 6.1 Hebe...
door Konstantin Mierau
Jongens van buiten het dorp stampen met hun blote voeten in het meer. Jeugd van de kermis, overal thuis, nooit verlegen. Het water is nog koud maar de lente zit in de lucht en in de middagzon is het best warm. Kooijker kijkt verlekkerd. Tussen het spruit zit vast een visje dat hij ook wel eens wil bakken. Een glanzend bruin jongetje begint modder te gooien. Eerst naar zijn makkers in het water, dan naar de toeschouwers. De plaatselijke meiden aan de kant gillen het uit. Miriam is er ook bij. Ze houdt zich in, maar haar ogen fonkelen. Het werd tijd voor een feest. Verdomme. Die Kooijker moet je ook altijd bij het handje nemen. Nog een jaartje tot het pensioen. Tijd uitzitten en mij het werk laten doen. ‘Baas! Hier is niets aan de hand. We moeten verder. De kermislui moeten nog aftikken voor hun vergunningen, en ik wil eens even zien wie d’r nu weer bij is. Die jongens van hen moeten het niet in hun hoofd halen hier iets uit te spoken. Dat geeft kleurverschil over negen maanden. Voor je het weet, maakt een van die stakkers hier z’n dochter af omdat ie geen zin heeft in een kermiskindje.’
Pension Pygmalion
door Piet Devos
30 september. In dit oord kun je je pas echt een balling wanen! Natuurlijk zocht ik de nodige afzondering om eindelijk die memoires te schrijven; alleen schijn ik nog beter in mijn opzet te zijn geslaagd dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. Nadat we de laatste buitenwijken van de stad gepasseerd waren, hebben we wel drie kwartier stug doorgereden zonder ook maar een sterveling tegen te komen. Aan weerszijden van de landweg waar we al spoedig overheen denderden niets dan dorre vlaktes, met slechts hier en daar wat vergeeld struikgewas of een groepje huizen die de indruk wekten sinds lang onbewoond te zijn. De taxichauffeur moet mijn verbazing over deze onafzienbare woestenij hebben bemerkt, want plots doemde zijn spichtige vossengrijns op in het achteruitkijkspiegeltje: "Ja, meneer, geen mens die het hier erg lang uithoudt!" In de snel invallende schemering rees voor ons ten slotte een donkere massa op. Wat me eerst een bos had toegeschenen, bleek meer weg te hebben van een ruig park met hoge sparren, waartussen een oprijlaan slingerend een flauwe helling op voerde. In het schijnsel van de koplampen zag ik af en toe vage schimmen tussen de bomen voorbijflitsen; kleine rotsformaties, meende ik, maar toen er plots eentje vlakbij in een bocht stond, zag ik dat het een menselijke gedaante voorstelde, een naakte vrouw nog wel in een verwrongen extatische houding. Het is bijna te gênant voor woorden, maar onmiddellijk voelde ik een erectie opkomen, iets wat me al in tijden niet meer is gebeurd... "Mevrouw is beeldhouwster", verduidelijkte de vossenkop koeltjes. Kort daarna bereikten we het erf van een statig landhuis boven op de heuvel, waar mijn voerman ogenblikkelijk zijn wagen keerde. Hij gunde me amper de tijd om hem wat muntstukken toe te stoppen – veel te weinig volgens mij - alvorens de heuvel weer af te stuiven. Vreemd genoeg was mijn gierende aankomst onopgemerkt gebleven. Hoewel de zware voordeur niet op slot zat, werd ook binnen niet op mijn herhaalde roepen gereageerd. Toch werd ik verwacht, aangezien ik in de eetkamer een eenvoudige broodmaaltijd aantrof en een briefje met daarop mijn naam en het kamernummer.
Pachtland – 5.4. Lev...
door Piet Devos
In herinneringen lijkt vaak een kompas te schuilen: ongemerkt leiden ze je terug naar de plek waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden die je bezig houdt. Pas hier, op het pad rondom het meer, is het tot me doorgedrongen dat Bruinsma en ik ook uren langs deze oever hebben gelopen, die decemberdag in 1925, toen hij me inwijdde in de geheimenissen van het artsenbestaan op het platteland. Het was toen een stuk kouder dan vandaag, want terwijl de oude man geduldig op me inpraatte, opdat ik mijn boekenwijsheid maar zo gauw mogelijk zou vergeten, bleef zijn adem in wolkjes uit zijn mond opkringelen. Over het met ijs bedekte water gebaarde hij met zijn benige handen in de richting van het dorp of wees hij me de boerderijen aan, waarvan hij de bewoners allen bij naam en toenaam scheen te kennen, en meestal ook nog hun medische geschiedenis tot meerdere generaties terug. Toen hij mijn verbazing hierover bemerkte, verontschuldigde hij zich haast: 'Wat wil je, beste jongen, ik ben in Finsterveen geboren en ben er maar een paar jaar weg geweest om de artsenij te leren.' De vriendschap met vader moet ook van die studietijd in Groningen dateren. Later, toen wij er al waren, zochten ze elkaar nog slechts zelden op – hooguit een keertje per jaar -, maar vader zat 's avonds wel regelmatig bij het licht van de walmende olielamp hele epistels aan zijn 'oude, trouwe spitsbroeder' te schrijven. Om de paar zinnen nam hij dan het knijpbrilletje van zijn neus om de nog brandschone glazen bedachtzaam op te poetsen. Ik was best jaloers op degene die zulke lange brieven van vader kreeg. Als wij hem om raad vroegen, had hij altijd wel een wijs citaat of een geestige parabel klaar, maar ging bijna nooit rechtstreeks in op onze problemen. Zo ook niet toen ik, ietwat beverig, met de mededeling kwam dat ik erover dacht van de Talmoedschool af te gaan om medicijnen te studeren. Hij legde alleen even zijn pen neer, wreef zijn bril schoon en zei: 'Als je bezig bent een boom te planten, wanneer men je komt vertellen dat de Messias in aantocht is, plant dan eerst die boom en ga hem daarna tegemoet om hem te ontvangen.'
Pachtland – 5.3. Heb...
door Konstantin Mierau
‘S’ zegt ze hardop, terwijl haar wijsvinger de lijnen van de lak op de tank volgt. ‘A’, ze spreekt de letters uit als waren het vreemde dingen. Iets van vroeger. ‘R’, ik voel een tinteling. ‘O’, ik kijk hoe haar lippen zich uitstulpen en terugtrekken als een mossel, terwijl ze aandachtig de klanken vormt. Godverdomme, wat is het goed om hier te zijn. ‘L’, ik zie haar tong haar gehemelte kietelen. ‘Hebe, was iss’n das fürn ‘E’ mit so nem Strich druff?’, vraagt ze in dat rare taaltje van haar. Beetje plat, maar niet dat Oost-Fries wat de rest hier spreekt. Hamburg, heeft ze een keer verteld. ‘Hebe, hörst de mir zu?’ Ze grijpt mijn riem. ‘Saroléa,’ zeg ik ‘de motor is Belgisch, of Frans, weet ik veel, maar mooi hé, schön, die gouden letters.’ Ik raak haar vinger aan, blank, gebleekt van het zoute water tijdens het visgraten verwijderen en het garnalenpellen. Zo anders dan haar bruine gezicht. Ik veeg het haar uit haar ogen en laat een oliesmeer achter. Mijn sporen. Kom, Mädchen, ik heb niet veel tijd, keine Zeit, ik heb wat zijde voor je, ‘Esquire Exquisite Damenstrümpfe’. ‘Voor jou. Garnalenprinsesje. Mosselkoningin.’ Ik ga op mijn knieën en snuif haar geur. Ik schuif haar jurk omhoog. Degelijk katoen en wit vlees. ‘A’ zegt ze en volgt de laatste letter op de tank, terwijl ze met haar andere hand mijn hoofd tussen haar dijen duwt.
Pachtland – 5.2. Ben...
door Martijn Boven
‘De bewijslast ligt bij u,’ bleef notaris Siccama uit Winschoten maar herhalen. Dat was in 1904, vijf jaren nadat Grevingh zijn hulp had aangeboden. ‘De bewijslast ligt bij u.’ Eerst besefte pa niet wat deze woorden betekenden. Totdat bleek dat geen van de zeven herenboeren – pa en zes anderen – een verkoopakte kon overleggen. De documenten die ze de notaris in bewaring hadden gegeven, waren verloren gegaan in een brand, ontstaan door onbekende oorzaak, al twijfelde pa er later geen moment meer aan dat Grevingh en de notaris daar zelf de hand in hadden gehad. Nog drie straten. Als ik doorloop ben ik nog net op tijd voor mijn afspraak met de ingenieur. Hij schijnt niet te beseffen dat Grevingh zijn land onrechtmatig heeft verkregen; misschien kan het hem niets schelen, misschien kiest hij – net als de notaris – altijd de zijde van de bezitter, ongeacht de rechtmatigheid van diens bezit. Geen van de zeven herenboeren – zes waren toen nog in leven, de zevende werd vertegenwoordigd door zijn weduwe – kon bewijzen dat er in de oorspronkelijke verkoopakte een clausule was opgenomen die Grevingh ertoe verplichtte het land tegen dezelfde prijs terug te verkopen aan de oorspronkelijke eigenaar, enkel vermeerderd met een rentepercentage. Grevingh beweerde zich niets te herinneren van deze voorwaarden. Hij zwaaide enkel met zijn eigen kopie van de koopakte, waarin een dergelijke clausule ontbrak. Had hij de koopakte vanaf het begin af aan zo laten opstellen of was deze pas later vervalst? Pa wist het niet.
Pachtland – 5.1. Rog...
door Bram Esser
Ik schrijf je om je in vertrouwen te nemen. Zoals je weet, denkt iedereen dat ik met verlof ben aan de Oostzee. Dat is niet zo. Ik ben in Finsterveen. Er kwam een vreemd gevoel van herkenning over me toen ik voor de tweede keer in dit dorp aankwam. Hier ligt misschien wel mijn lotsbestemming. Jij weet als geen ander hoeveel het me waard is om hier een nieuwe samenleving van de grond te krijgen. Een samenleving die gezond is, waar een goede afspiegeling van de bevolking is terug te vinden, waar ruimte is om te ademen en waar het minder vochtig is (Dat vocht gaat in je botten zitten; het is werkelijk een probleem). Wetenschap en menselijkheid! Dat moet op een spandoek, Nico. Misschien kunnen we er iets mee op de komende jaarmarkt dit voorjaar. Een demonstratie met stromend water, bijvoorbeeld. Het zal een goed middel zijn om onze zaak onder de aandacht te brengen. Ik had het me niet gerealiseerd maar het platteland bestaat uit een fijnmazig web van afhankelijkheidsverhoudingen, maar ook onzichtbare draden van haat en nijd. Niets staat hier echt op papier, zoals je zelf reeds hebt ervaren, en dat is voor een buitenstaander moeilijk te bevatten. Iedereen is afhankelijk van elkaar en bewijst elkaar diensten en wederdiensten.
Pachtland – 4.4. Lev...
door Piet Devos
Daar dendert de oude Bennink richting het dorpsplein, zijn hoofd stijfjes heen en weer schokkend net boven de rand van de zijspan uit. Het is misschien maar goed dat zijn zoon nog half buiten kennis op de grond ligt, want dit onterende schouwspel was hem zonder meer te machtig geworden... De hulpagent mag dan tenminste nog het fatsoen hebben gehad om het naakte lichaam ten dele met een soort spatzeil te bedekken, het blijft stuitend dat een mens op die manier - tot een vies ding herleid – van zijn eigen erf wordt weggereden. Weg van de grond waar hij nota bene zijn leven lang op heeft gezwoegd en die hij tot besluit had willen voeden met zijn eigen vlees. Natuurlijk was ik ook niet bijster gecharmeerd van dit hele begrafenisritueel, dat me veel te primitief en onhygiënisch toescheen. 'Maar het is de wens van de oude meneer Bennink en die moet je ook eerbiedigen', had Lidia hiertegen ingebracht. Het moest dan ook maar, gaf ik ten slotte toe, doch dit was buiten de landheer gerekend! Hoe zou Grevingh er überhaupt lucht van hebben gekregen? Nadat we de jonge Bennink met z'n drieën voorzichtig naar binnen hebben gedragen in de boerderij, komt hij al spoedig weer bij zijn positieven. Een teug grog mist zijn gebruikelijke wondereffect niet. Het lijkt alsof de alcohol de vlam van de ontzetting in zijn ogen weer ontsteekt, nadat die klap ze tijdelijk heeft gedoofd. 'We moeten die lijkenpikker achterna! Straks dumpen ze hem nog koudweg in het meer!' Als we opnieuw buitenstaan en we samen naar de kerk lopen, grijp ik hem stevig onder zijn arm. Wil ik hem alleen maar behoeden voor een plots opkomende duizeling, een nawee van de slag? Of wil ik hem bij voorbaat in bedwang proberen te houden, nu de spieren in zijn knokige lijf me bij elke stap gespannener toeschijnen?
Pachtland – 4.3. Heb...
door Konstantin Mierau
Regen valt op het dak van het oude koetshuis aan Grevinghs oprijlaan. Achter het huis wordt een schot met een jachtgeweer gelost. De knal rolt over het veld en kaatst terug op een groep bomen verderop. Dit is mijn teken. Hiervoor moest ik uit zicht bij Grevingh in het koetshuis wachten. Ik glip langs de zijkant van het huis en zie een huls uit de het raam van de kamer vliegen. Zonder in het blikveld van de ingenieur te komen kruip ik op mijn knieën onder het raam door en pak de huls op. Hij is warm. Terug in het koetshuis ontrafel ik het papier dat in de huls zit. Het is niet de eerste keer dat Grevingh mij zo een aanwijzing toe laat komen. Bij sommige gasten loopt ie liever niet te koop met zijn schoonzoon. Grevinghs handschrift is helder: 'Ze begraven Bennink op zijn erf – Voorkomen! - Laat ze weten dat pachtheer zijn land opeist.' Op de motor is het een kort stuk van de boerderij van Grevingh naar het lapje grond waar de oude Bennink nog een paar kippen hield. Boeren kon die ouwe allang niet meer, en die zoon van hem, die was of aan het lezen of in het schoolgebouw. Ik draai aan de ontstekingsvervroeger, trap het blok een aantal keren rond, laat de carburateur vollopen en geef een flinke trap op het starthendel. De motor loopt eerst wat onwillig door het vocht maar pruttelt dan best aardig. Ik leg mijn wapenstok in de zijspanbak en rij het erf af. Het waait en de regen klettert op de leren jas en laarzen. De achterband van de motor glijdt in de modderige bochten maar de zijspan houdt de motor rechtop. Wat een roes. Bij het opschakelen knalt de uitlaat dat het een lust is. Door de hobbels van de weg voel ik de tinteling van de naald nog in mijn linkerarm. Binnenin is er nog de warme gloed van de morfine van vanochtend. Troost. Toen ik twaalf was sloeg mijn moeder mij een keer zo hard dat mijn oogkas inscheurde. De pijn van de zwelling trok door mijn hoofd, mijn wang verloor zijn gevoel. Ik schreeuwde het uit. Het was de eerste keer dat ik angst in de ogen van mijn ouders zag. De erbij gehaalde dokter pakte in zijn wanhoop een spuit. En toen was er die rust. Weg de pijn, weg de kramp. Weg de verveling van het werk achter de rooimachine, bedaard de haat van de moeder, onbelangrijk de onverschilligheid van de vader. Een week lang heb ik toen op bed gelegen en hebben ze me met rust gelaten. Vaak zou ik terugdenken aan die kalme gloed. En m’n hoofd, tja, het heeft wel wat als je mensen enkel moet aankijken om ze bang te maken.
Pachtland – 4.2. Ben...
door Martijn Boven
We hebben pa’s naakte lichaam – dat volgens zijn laatste wensen zonder kleren of andere bezittingen begraven moet worden – nog maar net in de kuil laten zakken, als in de verte een doffe knal klinkt. Met de schoppen nog in de handen kijken we elkaar zwijgend aan. Ikzelf, Brongers, Udema en Levi. Ieder van ons kent het knetterende monster dat elke zoveelste minuut een doffe knal uitbraakt. Ieder van ons weet wat er op handen is. Het veld achter pa’s boerderij is gehuld in een vochtige regendamp. Pa is nog geen twee dagen dood, maar de ontbinding is al ingezet. Het regenwater dat de kuil steeds verder vult, slobbert gulzig aan zijn lichaam. Een geur van rottend water dringt onze neusgaten binnen en benevelt onze hersens zodanig dat we in die dikke klonterige brij geen enkel gevoel, geen enkele gedachte meer aantreffen. We staren nog enkel nog voor ons uit, terwijl de onregelmatige, doffe knallen al sterker aanzwellen en nu ook het geknetter hoorbaar wordt.
Pachtland – 4.1. Rog...
door Bram Esser
Grevingh, of de Kop zoals ik hem al snel noem, lijkt schijnbaar onbewogen naar mijn verhaal te luisteren. Zijn enorme handen liggen met hun ruggen op zijn bovenbenen. Zo nu en dan spant hij ze aan tot een vuist. Het lijkt een vorm van ademhalen te zijn, in en uit, eerst de ene dan de andere hand. Terwijl de Kop tussen halfgesloten oogleden naar me loert, leiden zijn handen een eigen leven. De man en zijn houten troon, hij lijkt er haast mee samen te vallen. Een massief blok in het midden van de kamer. Was dat opzet? Nergens meubels of schilderijen aan de muur. Niets om het aangenaam te maken. Mijn verhaal, mijn idealisme om het zo maar eens te noemen, lijkt hier stuk te slaan op totale onbeweeglijkheid en desinteresse. Alleen toen ik het had over de begrafenis die ik zag op weg naar de borg, leek er iets te gebeuren, niet dat zijn handen hun ritme lieten verstoren, maar zijn linkerooglid trilde iets. Nu gaan zijn ogen open, hij kijkt me aan. ‘Ik heb geen kinderen,’ zegt de Kop, ‘al mijn kinderen zijn mislukt. Mijn imperium zal samen met mij ten onder gaan. Waarom zal ik u dan uw zin geven meneer de polderprofessor? Waarom zal ik u nou laten dansen op de ruïnes van mijn ondergang?’ Ik meen een cynisch lachje te zien. Een mondhoek die iets omhoog krult.
Nr. 24
door Kostja M.
‘Ik kom zo bij je in de buurt’ en andere meningen van de broodschrijver over goedkope tekst aan de telefoon. Hey schat… In de supermarkt. Chocopasta was op en liefde moet gesmeerd, als je me voelt. Wat? Ja: rij 17 bij de bleek en de kolenscheppen; als we nog eens een van die...
Pachtland – 3.4. Ben...
door Martijn Boven
In het aanzwellende geroezemoes dat het onverwarmde klaslokaal met bleke woorddampen vult — het resultaat van de ademtocht van zeventien jeugdige stoomturbines — ontwaar ik opeens een gerucht, een vermoeden of wat het ook is. Iets over Miriam Levi en Sicco Reinders. Ik bespeur schichtige blikken en heimelijke verstandhoudingen; maar uit geen van de geluiden die mijn oor binnensijpelen, is af te leiden wat er precies gaande is. Grevinghs vrouw was een Reinders. Tussen de beide families bestaan nauwe banden. Ik sta op en loop in de richting van mijn kantoortje achter in de klas. Van hieruit ontrafel ik de ingewikkelde vertakkingen van Grevinghs bedrog steeds verder. Het is het zenuwcentrum van mijn onderzoek. Ooit moet hier een keuken gezeten hebben, want over de hele breedte zitten er nog buizen in de muur. Ruim een jaar geleden heb ik die buizen zelf ontdekt. Sinds ik met een schroevendraaier de troep eruit heb gebikt, verschaffen de buizen me een fijnzinnig instrumentarium. De toestand van mijn jeugdige stoomturbines kan ik er op elk gewenst moment mee beluisteren.
Metropolis X – 1.1. Opstand der Barbaren
door Bram Esser
We schrijven 1 juni 1854, pension La Cravache, vroeg in de ochtend. Iets tikt tegen de kamerdeur, maar Cornelis Borgman weet direct wat het is. Het zijn morsecodes van Madame Bernard dat hij op moet staan. Ze houdt er niet van als op woensdag haar gasten, inclusief de permanente bewoners, in het pension blijven. Woensdag is schoonmaakdag en dan heeft Madame het liefst dat haar gasten pas tegen de avond weer terugkomen. Borgman komt kreunend overeind.
Pachtland – 3.3. Rog...
door Bram Esser
‘Meneer de burgemeester,’ zeg ik na bedachtzaam op een door zijn vrouw klaargemaakte sperzieboon te hebben gekauwd en deze te hebben doorgeslikt, ‘laten we eens de opties voor een referendum op tafel leggen.’ De sperzieboon smaakte goed, sappig en fris. Het is geruststellend om te weten dat er ook andere dingen dan mist uit de bodem van deze streek kunnen komen.’ Het is van belang dat mijn ambtenaren voor het einde van de maand de bouwfases nog op de kalender kunnen zetten. Nico is vanmorgen reeds vertrokken met een vrachtwagen van het ministerie die hem vanuit Delfzijl op weg naar het westen heeft opgepikt. Nico leek blij te zijn dat hij weg kon.
Nr. 73
door Kostja M.
Sleutelheupschot, of: de broodschrijver schuift onwillig aan bij de redactievergadering en verlaat de zaal met een gevulde tas. Betreft: Notulen overleg 37b t.a.v. plannen voor de toekomst van het literatuurplatform ‘Schampschot’ Aanwezig: voorzitter 1, voorzitter 2, voorzitter 3,...
Pachtland – 3.2. Lev...
door Piet Devos
‘Sam, wat moest die Hebe van je?’ Lidia heeft hem natuurlijk vanuit het keukenraam zien wegfietsen en denkt nu vast dat deze ochtendlijke visite verband houdt met gisteravond. In haar stem klinkt nog steeds een zweem van de verontwaardiging waarmee ze, na thuiskomst, op de agenten heeft gefoeterd. ‘Het scheelde niet veel of ze waren Bennink te lijf gegaan! Is dit nu wat je noemt de openbare orde bewaren?’ Ook Miriam was danig geschrokken van de openlijke confrontatie, omdat ze nog niet goed begrijpt welke belangen hier op het spel staan. Ik probeerde haar uit te leggen dat de politie niet zozeer de ingenieur, als wel onze landheer in bescherming had willen nemen. ‘Dat mag wel zo zijn,’ riposteerde Lidia scherp, ‘maar ondertussen legden ze Bennink wel mooi het zwijgen op, terwijl hij de plannen van die Roggeveen bekritiseerde. Weten wij veel of die kerel niet onder één hoedje speelt met Grevingh.’ Daar had ze wel een punt, al zag ik niet meteen in welk voordeel er voor de landheer uit die inpoldering te halen viel. Maar je wist het inderdaad nooit met die sluwe vos.
Pachtland – 3.1. Heb...
door Konstantin Mierau
Zondagochtend in de schemering, dan gaan ze op huis aan: de stropers en de smokkelaars, de voortvluchtigen, de overspeligen en de bastaarden. Gebukt jagen ze over het veld, rap, de baard op de schouders, de nerveuze sprongen van een konijn, elkaars blikken ontwijkend richting huis, de achterdeur in, poetsen en snoeien, en even later de voordeur uit. Oprecht, ingepakt en ingehaakt, met bedeesde tred richting dominee. Onder deze steeneik voel ik me goed. Als kind kwam ik hier al. Het is een sterke boom. Die takken kunnen veel meer dragen dan wat bladeren en eikels. Tegen de boomstam geleund verdwijn je in de kronkels van de bast. In de schaduw van de takken is er niemand die je ziet, en de opkomende zon kan hier niet weerkaatsen op het staal van de loop. Daar tuimelt er een, nog niet helemaal zuiver maar het gaat die kant op. Een dronken man is minder berekenbaar dan een hert. Plotsklaps zakt ie ineen, of draait pirouettes, springt over een sloot, haalt het net niet, zakt terug in het slik en de koeienstront. Aangeschoten wild. Bennink zou vast nooit dronken over een veld struikelen. Deed ie het maar. Die doet alles met berekening. Zou die neuken of zou die zich voortplanten? Met de kerkbellen gelijklopend nieuw klapvee voor z’n toespraken spuiten, dat gun je toch geen vrouw, zo’n klokkenmaker.
Nr. 43
door Kostja M.
De zon lacht op de mens die zijn eigen geluk maakt, en andere meningen van de broodschrijver over zijn vak. Hey schat, ja hier onder de auto, dode kat weg aan het schrapen. Ik mis nog de linkerpoot. Alleen een hele poes levert geld op. Luister goed, er borrelt een verhaal, heus, met...
Pachtland – 2.4. Ben...
door Martijn Boven
Als de ingenieur is uitgesproken, maken de gelaarsde uniformen zich los van de deurpost waar ze al de hele avond aan vastgekleefd zitten, de een binnen, de ander buiten. Ze hebben hun instructies. Zou Grevingh het nu al op een akkoordje gegooid hebben met de ingenieur? Of zijn ze hier slechts als verkenners? De ingenieur heeft ondertussen voedsel laten aanrukken. Hij denkt kennelijk dat de kwestie hiermee is afgedaan. Is het minachting? Of toch naïviteit? De moerassen van zijn verwende geest zijn zo diep dat er na jaren van inpoldering nog steeds geen droog land is verkregen. ‘Meneer Roggeveen,’ begint dominee Thaden al te murmureren, ‘u vergeet klaarblijkelijk dat u hier niet het Woord Gods predikt waarop geen enkel mens een weerwoord heeft.’ De ingenieur herstelt zich direct. ‘U vergist zich, beste man. Er is zo dadelijk ruim gelegenheid tot vragen. Gezien het tijdstip leek het me raadzaam eerst de innerlijke mens te versterken.’
Pachtland – 2.3. Heb...
door Konstantin Mierau
Met elke stoot worden de splinters van de met olie besmeurde werkbank dieper in de pezige kuiten van Grevinghs dochter gedreven. De olie prikt in de wonden; de vrouw jammert zachtjes. Ze steunt met een hand tegen de wand met de steeksleutels, om niet weer haar hoofd tegen de uitstekende haken te stoten. Het zal niet lang meer duren. Ze wist dat dit zou gebeuren toen ze met een fles bier richting de werkplaats kwam, vreemd mens. Ik heb de carburateur behoedzaam opzij gelegd, daarna heb ik haar gegrepen. Ze zal vanavond niet naar de bijeenkomst in de kroeg kunnen lopen. ‘Bedankt voor het bier, en nu naar binnen, vrouw, of moet je nog wat? Ik ga morgen de grens over, en die motor moet op tijd af. Ik moet straks posten bij de kroeg. De ingenieur gaat spreken. Ach, daar snap je toch niets van. Hier, anders poets je nog even m’n laarzen; die kleren van je kun je later ook nog weer maken.’
Pachtland – 2.2. Rog...
door Bram Esser
Langzaam druppelen de mensen binnen. Schuchter zo lijkt het. Ik forceer een glimlach en heet de mensen welkom om hen gerust te stellen. De nacht heeft zijn tol geëist, en het voelt alsof de mist uit de vochtige moerasbodem mijn schedel is binnengedrongen. Er was een stem geweest – ongetwijfeld mijn eigen stem – die voortdurend door de kamers van mijn hoofd joeg en sporen van spinrag heeft achtergelaten. ‘Laat de nachtbloem niet verwelken’, had de stem gezegd. De burgemeester komt binnen; ik geef hem een hand. Ik hoor mezelf informeren naar de gezondheid van zijn vrouw. De burgemeester heb ik al eens gesproken, tijdens zijn bezoek aan het ministerie. Hij heeft een voorliefde voor het dragen van bruine pakken. Ook in de zomer gaat hij gehuld in wol, alleen draagt hij dan een bloem in zijn knoopsgat. Het was voorzichtig manoeuvreren met de burgemeester; geen man die met simpele vooruitzichten gerustgesteld kon worden. Mogelijkheden om vooruit te komen binnen het nieuwe structuurplan leken hem minder te boeien dan de toekomst van zijn dorpelingen. Een echte burgervader, zo op het eerste gezicht. We hebben hem overtuigd van het project: de droge, goed geïsoleerde woningen die we gaan bouwen, de fabriek, de nieuwe landbouwgronden. ‘Al met al zullen uw dorpelingen een hogere kwaliteit van leven krijgen’, heb ik hem voorgespiegeld. We zijn een referendum overeengekomen.
Nr. 17
door Kostja M.
‘Fok poesjes’ en andere meningen van de broodschrijver over verdwaald huisgedierte.* Ogen op de weg, meisje! Als je zo naar buiten blijft gluren, krijg je nog maagkramp van al dat voorbijgaand blikvoer, snap je wel? Godverdomme, we hebben iets aangereden. Een zwerfkat, zeg je? Wat...
Pachtland – 2.1. Lev...
door Piet Devos
De verchroomde behandeltafel staat leeg te glanzen in het namiddaglicht dat in kleine vlekjes door de vitrages valt. Voor dit tijdstip op een zaterdag is het opmerkelijk rustig. Het lijkt wel een doordeweekse dag; dan komt er - op enkele huisvrouwen met kinderen en bejaarden na - ook niemand op het spreekuur, omdat iedereen naar de akkers moet of naar de suikerfabriek een paar dorpen verderop. Al scheurt de hoest de longen uit hun lijf of piepen hun gewrichten van de kou en het vocht, vóór zaterdag zul je ze hier nooit zien verschijnen. Maar die dag kan het hier dan plots in een ware heksenketel veranderen; zeker als ik tussendoor ook nog meermaals word weggeroepen. Gelukkig is Lidia in staat de meeste basale behandelingen in haar eentje uit te voeren, zodat ik het zaakje met een gerust hart aan haar kan overlaten. Ongetwijfeld is het merendeel van de patiënten maar wat blij, als zij het tijdelijk van me overneemt! Lidia heeft die zachte hand, zowel letterlijk als figuurlijk, die ik naar men zegt zo node mis.
Nr. 31
door Kostja M.
Autorijden doe je op blote voeten en andere meningen van de broodschrijver over het maatschappelijk verkeer. Stop schat, hoe vaak heb ik niet gezegd dat je niet op hakken moet autorijden. Zo’n pedaal moet blootvoets bewerkt, anders gaat dat beest horten en stoten. Daar is een telefooncel en...
Caïssa. Een zwart-witverhaal
door Piet Devos
Deze schaakpartij, tijdens de avondlijke treinreis van de kust naar het binnenland, heeft iets van een dans, een ritueel dat we schijnbaar mechanisch uitvoeren. Ik weet niet welke hogere macht we er gunstig mee proberen te stemmen - is het de allengs verdwenen onbevangenheid, de herinnering aan ons eigen verleden of gewoonweg de schaakgodin Caïssa? -, maar terwijl zij praat en ik luister, blijven onze handen met regelmatige tussenpozen de kleine, magnetische stukken verplaatsen. Na al die jaren is haar Nederlands zonder meer vlekkeloos te noemen. Toch sluimert misschien ergens in ons het vermoeden dat die taal van zwart-witte geometrie, die we allebei tot in de finesses beheersen, de meeste kans op onderling begrip biedt.
Pachtland – 1.4. Rog...
door Bram Esser
De middagzon hangt als een gebakken ei met gebroken dooier in de melkachtige hemel. Ik laat mij per paard en wagen vervoeren naar Finsterveen. Paard en wagen! Toch het eerste bewijs dat hier hervorming vereist is. Bij Terminus Noord houdt niet alleen het spoor maar ook de beschaving op en begint het ‘bare veld’, zoals ze dat hier noemen, het is inderdaad bar en boos. Infrastructuur bestaat hier uit een overgeërfde modderpoel van boerenweggetjes en paadjes. Over de velden hangt een mysterieuze witte damp, die uit de grond omhoog lijkt te komen. Ik maak aantekeningen in mijn notitieboek, berekeningen, en slechts af en toe dwaalt de blik naar buiten om daar niets te zien. Schimmen van bomen in de mist. Er doemt een toekomstvisioen op; het is de damp afkomstig uit de strokartonfabriek die ik geplant heb.
Nr. 29
door Kostja M.
De broodschrijver zaait in het buitenland: of toegepaste liefdesbetuiging. Ha. België, daar zijn we dan, meisje. Ik zie een veld, daar moet jij doorheen in dat jurkje van je. Ik wil modder zien aan die bleke kuiten, anders mist dit plaatje diepgang. Wat zeg je? Spannend? Landmijnen? Gehecht...
Pachtland – 1.3. Lev...
door Piet Devos
Zodra ik het smoezelige gordijn van de alkoof heb weggetrokken, is één blik voldoende om vast te stellen dat de patiënt stervende is. Net als bij mijn vorige bezoeken overdekt een koortsige blos het door weer en wind gelooide gezicht van de boer, maar nu schijnt daar ook een onnatuurlijke bleekheid doorheen: de voorbode van de facies mortis. De oude Bennink steunt zachtjes, maar schijnt mijn aanwezigheid in het geheel niet meer gewaar te worden. Hij is ver heen, overgeleverd aan de koortsdromen en de pijn in zijn buik die door de tumor sterk is opgezet. Ditmaal kan ik ongestoord zijn nachthemd openknopen, de instrumenten een voor een uit mijn tas pakken en routineus de nodige metingen verrichten – de temperatuur opnemen, bloeddruk bepalen, hartslag en longen beluisteren. Zelfs het koude ontsmettingsmiddel op zijn huid en de morfine-injectie gaan onopgemerkt aan de oude Bennink voorbij.
Nr. 09
door Kostja M.
Een goede vrouw wordt serieus genomen, en andere meningen van de broodschrijver over omgang met de medemens. Hey Schat. Wakker worden, ja hier op zolder, op zoek naar het geld. We moeten rap de stad uit, ‘t is bijna negen uur. Dat met die taxichauffeur is niet helemaal goed gegaan. Hij was...
Pachtland – 1.2. Ben...
door Martijn Boven
Ik beklim de trappen naar de borg van Grevingh. Vanuit de verte ziet het gebouw eruit als een decorwand uit een Amerikaanse film, maar wie dichterbij komt begrijpt onmiddellijk dat er iets taais en hardnekkigs sluimert in de hoge kamers die erachter schuilgaan. Het is alsof het huis vergroeid is met de man die het met zijn eigen zweet en bloed uit de Groningse kleigrond heeft gestampt, alsof ze samen hebben besloten paal en perk te stellen aan de tekortkomingen van het menselijke ras. Ik kijk omhoog en voel me krimpen bij de primitieve hardnekkigheid van de stenen, de onverschilligheid waarmee ze elke aanval van buitenaf weerstaan. Al maanden glijden de klauwen van de wraak als lange schaduwen over de ramen, maar binnendringen durven ze niet. Ik treed binnen. Ook ik durf niet, maar ik moet. Ik loop de gang in. De intense stilte die zich hongerig op me werpt, vreet aan de kalmte in mijn ingewanden. De eentonige holle klanken die mijn voetstappen uit het binnenste van het huis opdiepen, staan in schril contrast met de wilde, onregelmatige galop van mijn hart.
Nr. 08
door Kostja M.
‘VIVA-porno’ en andere meningen van de broodschrijver over de vaderlandsche literatuurproductie. Hey schat, ja hier in de bezemkast. Gaat al wat beter; alleen m’n benen zijn in slaap gevallen en de sigaretten raken op. Boodschappentas heb ik al, maar het houdt niet over. Liever geen...
Pachtland – 1.1. Heb...
door Konstantin Mierau
‘Fietsen, jonge, een plattelandsagent fietst’, zegt de baas altijd. ‘Een paard kun je moeilijk in de gracht mikken als het lelijk wordt, en die motorfiets van jou die horen ze in Drenthe nog, trappen dus als je die gasten wilt pakken.’ ‘Fietsen, jonge, een plattelandsagent fietst’, zegt de baas altijd. ‘Een paard kun je moeilijk in de gracht mikken als het lelijk wordt, en die motorfiets van jou die horen ze in Drenthe nog, trappen dus als je die gasten wilt pakken.’ Kan die lekker zeggen in z’n hok. Ik moet de hort op. Vlak is het. Modder kruipt langs je broekspijpen omhoog en de wind fluit om je vingers tot ze verkrampen. Moeders zei: ‘De lucht is hier zo vochtig dat je kleren altijd nat blijven.’ Had ze maar niet in het Noorden geboren moeten worden. Een sperwer stijgt op van de wegwijzer bij de kruising en laat zich vallen op een veldmuis.
Over de groeiroman
door Redactie
Lees hier meer over 'Pachtland, een groeiroman': Iedere vrijdag publiceren we een hoofdstuk uit onze ‘groeiroman’: een experimentele internetroman in feuilletonvorm. Deze roman heeft een meervoudig vertelperspectief. Het is dan ook niet het werk van één, maar van vier schrijvers. Om de beurt leveren zij een hoofdstuk in waarin zij telkens het perspectief van een van de personages kiezen. Het verhaal speelt zich af in een fictieve streek in Oost-Groningen ten tijde van het interbellum.
Poolse knoeiers
door Martijn Boven
Geachte wijkgenoten, Ik ben eigenaar van bouwbedrijf Eggens, en woon hier in de wijk. Het is mijn gewoonte niet me uit te laten over dingen die me niet aangaan, of iets te zeggen over dingen die me weliswaar aangaan maar waar ik geen zeggenschap over heb. Ik heb er daarom lang over getwijfeld de brief aan te vangen die u, geachte wijkgenoten, zo-even in de hand hebt genomen, en die u alleen moet lezen als u een Nederlander bent, en niet als u wat anders bent. Niemand kan zeggen dat ik geen goed werk lever – ik ben lid van de NVB, de Nederlandse Vereniging voor Bouwondernemers – niemand kan iets op mijn bedrijf aanmerken. Dat is bij de Poolse timmerlui die onze wijk met folders bestoken, wel anders. Ik heb het beste met u voor als ik u voor hen waarschuw: het zijn oplichters en knoeiers. Ik heb niets tegen Polen op zich. Wil men buitenlanders een kans geven, goed! Maar laat ze niet ons werk afpakken door onder de prijs te gaan zitten. En wie hier wil werken, moet eerst maar eens Nederlands leren. "Wij doen reparatie tegen goed prijs," schrijven ze op die grijze papiertjes die je overal op straat aantreft, en die zo onze mooie wijk vervuilen. Dit zou ik toejuichen, als het in correct Nederlands was opgesteld en als het de waarheid betrof. Maar nu dat niet het geval blijkt, vrees ik voor het lot van onze wijk. Als ik geen goed Nederlands spreek, moet ik ook niet willen werken in een wijk waar men dat wel doet, en waar men kwaliteit meer op prijs stelt dan lage prijzen en slecht werk.
Politiegeweld en pep...
door Kostja M.
‘Fok schrijven’ en andere meningen van de broodschrijver over de maatschappelijke relevantie van zijn vak. Hey schat, ik voel iets borrelen. Een en ander moet meteen neergepend. Inderdaad, ik sta onder de douche. Badmuts op en een fles Beefeater met een rietje, op zoek naar m’n comfort...
Nr. 07
door Kostja M.
Expedities van de broodschrijver door de wereldliteratuur, of: doen wat Odysseus nooit gelukt is. Hey schat, wakker worden! Nee hier, onder het bed, in ontwenning. Pak gauw een boodschappentas, anders komt dit feest nooit los. Nee, liever die katoenen, dat vlekt beter. Zonder sporen geen...
Yorick, een held van onze tijd
door Petrus Spasmati
Dit is een klein dorp. En zoals alle kleine plaatsjes heeft het iets weg van een muziekdoos die zijn toneelstukje begint af te draaien zodra er een vreemde binnenkomt. Verwonder u dus niet, vreemdeling, over wat u te zien krijgt als u hier binnentreedt. Het is het bekende liedje en veel van hetzelfde. Het dorp kent verschillende bonte personages die u allen kunt ontmoeten. Kom dus binnen, aarzel niet. U bent welkom zoals elke vreemdeling welkom is in kleine plaatsjes. Het kost u niets. De toegangskaartjes die ik nu voor u zal knippen, zijn alleen maar voor de grap. Een attractie laat u zich toch niet ontgaan? Tot lering en vermaak. Van...
Nr. 06
door Kostja M.
Plannen om beroemd te worden of: Expeditie van de broodschrijver door de plaatselijke schrijverskringen. Hey schat, hier is het plan: vanavond gaan we binnenwandelen bij de plaatselijke voorleesavond. Opdracht van de uitgever. Heeft het niet begrepen, maar wat wil je, voorlopig zijn we z’n...
Maalstroom
door Bram Esser
Wij zijn Ithamar en Jalaa Lipschitz. We wonen in een kleine joods-orthodoxe buurt ergens in de stad. Waar precies ten opzichte van het centrum durven we niet te zeggen. In het centrum zijn we nog nooit geweest. ‘Onze plek is aan de rand van de samenleving’, zegt vader altijd. Hij zegt dit steeds vaker. Soms met de toevoeging: ‘Dat is al eeuwen zo en zal altijd zo blijven.’ ‘Vader is niet langer zichzelf,’ zegt moeder. Dat zien wij ook. Vader gaat er zichtbaar onder gebukt dat hij zichzelf niet is. Zijn bescheiden maar gewaardeerde positie in de gemeenschap is hij kwijtgeraakt. Hij werkte in een fotowinkel en overhandigde mensen...
Nr. 67a
door Kostja M.
Excursies van de broodschrijver in het vaderlandsche medialandschap Goedemiddag, Henk-Jan, lieve luisteraars. Jullie favoriete broodschrijver is hier al meer dan half uur jeuk aan het krijgen voor 29 seconden zendtijd. Dank uiteraard voor de aandacht. Hoop dat je’t kunt volgen. Maar een ding...
Johan
door Martijn Boven
‘Weet je wie ik daarnet zag?’ zei Rineke. ‘Jantina! Zoiets geloof je toch niet. Dat die haar gezicht hier durft laten zien. Denkt ze soms dat we alles vergeten zijn? Nou dat heeft ze mooi mis. Die krijgt van mij geen hand.’ Johan telde de blauwe jassen die aan de kapstok hingen. Zestien. Een hoge score. Johan hield van blauw. Blauw was altijd mooi. ‘Onbestaanbaar,’ zei Alie, ‘en dan die begrafenisondernemer, die Wiskerke.’ ‘Mama,’ zei Margje, ‘kom even mee.’ Johan zag ook een witte jas. Maar die telde niet, want daar zat Margje in. Alleen lege jassen telden. ‘Margje,’ zei Rineke, ‘even wachten, ik ben nu in...
Nr. 23b
door Kostja M.
Plannen om rijk te worden Hey schat, hier is hoe het is: ik stap uit bed en dan zul je het zien. We gaan die shit in de markt zetten. Ik heb smaak, dus ik kan het weten (jij ook natuurlijk maar meer op een soort eigen manier). Nooit meer derdehands, nooit meer plastic boodschappentas, nooit...
In de menigte
door Gilles Debris
Een menigte is een hoeveelheid mensen zonder vast getal. Ik word al jaren omringd door een menigte, zoveel is mij duidelijk. Maar wat er precies door die menigte omringd wordt, daarover bestaat bij mij nog onduidelijkheid. Als ik naar mezelf kijk, zie ik iemand die in de menigte een droom...
De ontmoeting
door Piet Devos
Vreemd dat jouw woordeloze verschijning voor mij louter in taal herrijzen kan. Een taal die puntig onder mijn vingertoppen moet groeien, dezelfde vingertoppen waarin de herinnering woekert aan de holte van je elleboog, de zachte belofte van je kleine oorschelp schuilgaand achter zonverhitte haren. Geen stem, die me citaten had kunnen schenken, die mijn interpretatie van het voorval aanzienlijk had kunnen vergemakkelijken. En toch, dat geef ik toe, was het anderzijds precies dat onverbreekbare zwijgen waaruit het ongehoorde van onze ontmoeting sprak. Het behoedde ons voor opgebruikte zinsneden over de mooie nazomer. Die hadden we ook niet...
Nr. 11a
door Kostja M.
Spoedtekst door de resultaatgerichte broodschrijver of: Wie wordt er blij van een dode mus? Doel: Geruststellend betoog voor bittere tijden, melancholische ondertoon, terloopse verwijzing naar hedonistische levensinstelling, pseudo-optimistische uitsmijter, punt. Resultaat: “Het valt...
Nr. 01
door Kostja M.
Boodschappenlijst voor de beginnende schrijver: Hey schat, kun je dit spul allemaal even halen, ik ben niet zo in de stemming voor boodschappen vandaag… ehh… ik bedoel je weet toch als ik in de buurt van mensen kom dan slinkt mijn inspiratie naar het vriespunt. Of kan ik alleen maar aan...
De nieuwe huurder
door Gilles Debris
Een huis is een bekrompen ruimte die begint en eindigt met muren. In veel steden zijn veel van dergelijke ruimten bij elkaar gekropen en hebben zich verenigd tot verdiepingen en rijen. In een dergelijke verzameling van ruimten woonde ik op de zevende verdieping. Het opvallende van het...
Ten aanvang
door Petrus Spasmati
In het heimelijke der aardkloot groeit het kruipend Vocht al voller. Het slokt en sleurt het hart uit de aarde. Al loerend naar een vergeten schimmel die daar huist. Die schimmel is de laatste en de eerste, de droom en de dromer, de dans en de danser. Ja, hij is het die zich daar al jaren ophoudt en al die tijd volhardt in zijn zinloze bijzijn. Er is voor hem geen uitvlucht. Voor wat hij doet is nergens grond. Aldaar een vlerk die, de schimmel toebehorend, met bevende rimpels op de muren kladdert. Steeds dezelfde woorden. Steeds dezelfde. Niemand bevroedt waarom die schimmel dat uitvreet. Niemand die zich daarover opkookt. Alleen het Vocht...



