Pachtland – 1.1. Hebe

Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |

 

Hebe

← Toelichting (vorige hoofdstuk)

‘Fietsen, jonge, een plattelandsagent fietst’, zegt de baas altijd. ‘Een paard kun je moeilijk in de gracht mikken als het lelijk wordt, en die motorfiets van jou die horen ze in Drenthe nog, trappen dus als je die gasten wilt pakken.’
Kan die lekker zeggen in z’n hok. Ik moet de hort op. Vlak is het. Modder kruipt langs je broekspijpen omhoog en de wind fluit om je vingers tot ze verkrampen. Moeders zei: ‘De lucht is hier zo vochtig dat je kleren altijd nat blijven.’ Had ze maar niet in het Noorden geboren moeten worden.

 

Een sperwer stijgt op van de wegwijzer bij de kruising en laat zich vallen op een veldmuis.

 

Nietszeggend mens, die dochter van Grevingh. Haar jurken hangen maar wat, en ik ken geen andere vrouw die zo droog zucht. Zeventien was ik en zij al achter in de twintig; niemand die haar wou, maar die oude zak moest zo nodig iemand voor haar kopen. Vader met z’n dikke ogen, die zag het wel zitten en moeders, breek me de bek niet open. Tsja, je trouwt met iemand uit het dorp en ik wou ook wel van dat veld af. Dus dat was dat. Wat er buiten het dorp gebeurt interesseert toch geen hond. Als er een bastaard aan komt wandelen, dan knallen ze hem af en gooien ze hem op het wad voor de meeuwen en de wormen. Ik en de baas doen dan alsof we d’r werk van maken. Een week lang betalen de jongens onze drank.

 

De sperwer schrokt de muis op en hervat zijn post op de wegwijzer.

 

Daar stonden we dan, voor de dominee. Vader, moeders, Grevingh. Het hele dorp kwam kijken naar het wonder. Dachten ze nou echt dat de loosheid van de meid af zou vallen als de zweren van de melaatse? Zij zo blij als een meisje dat een hobbelpaard heeft gekregen, en ik maar denken aan dat plaatje van een jachtgeweer dat die oude me in de kroeg had laten zien. Dubbelloops, paarlemoer op het slot en gemaakt voor patronen. ‘Zo precies dat geen ree je zal ontsnappen’, had de oude gezegd en ‘ja hoor, zoon, straks mag je op mijn erf neerschieten wat je tegenkomt.’ Was het maar waar goddomme.

 

In de verte een gestalte.

 

Kijk nou toch, Bennink! Te voet op pad. Naar Grevingh? Hij verliest het van de wind. Te vroeg geboren; te laat uit z’n leeshoek gekropen die worm. Wat zal die van die oude willen? Rechtvaardigheid? Begrip? Verzoening? Een KLAP kan die krijgen. Maar niet van de oude. Nee, dat doe ik wel, gewoon om te oefenen. Van het huis zeg maar. Is vast al een preek aan het afdraaien. Vage praat zal die sputteren, daar in de voorkamer van de baas, over de verheffing van de landarbeider of zo, met dat eeuwige humorloze gelijk van hem. Schoorvoeten zal die, en de ouwe, die zal in z’n hoofd uitrekenen of de biggen dit jaar meer opleveren dan de kalveren.

 

Het dorp ruikt naar aangebrande kool en kippenstront, een paar kerels staan al bij de kroeg.

 

Daar is het dorp al. God wat is dat pakket vandaag zwaar, schnaps uit Cuxhaven voor de kroegbaas, met de groeten van de Duitsers. Kan die mooi aan de parochie verpatsen morgenavond. Zouden niet ook die stadse gasten langskomen om hun bouwplannen te laten zien? Als zoete koek zullen de jongens het slikken en zuipen zullen ze van de Duitse drank, de dagloners en de fijne heren gelijk. De verheffing van de landarbeider komt vandaag uit Cuxhaven.

 

‘Wat maakt het uit, als je maar gelooft’, staat er op de tegel boven de pisbak. En zo is t maar net. Elke zondag poetst de kastelein de kotsvlekken ervan af en voelt de steek van een schuldgevoel. Of zijn lever. Wat maakt het uit.

(volgende hoofdstuk) 1.2 →

 

Konstantin Mierau