Pachtland – 1.2. Bennink
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |
Bennink
← 1.1 (vorige hoofdstuk)
Ik beklim de trappen naar de borg van Grevingh. Vanuit de verte ziet het gebouw eruit als een decorwand uit een Amerikaanse film, maar wie dichterbij komt begrijpt onmiddellijk dat er iets taais en hardnekkigs sluimert in de hoge kamers die erachter schuilgaan. Het is alsof het huis vergroeid is met de man die het met zijn eigen zweet en bloed uit de Groningse kleigrond heeft gestampt, alsof ze samen hebben besloten paal en perk te stellen aan de tekortkomingen van het menselijke ras.
Ik kijk omhoog en voel me krimpen bij de primitieve hardnekkigheid van de stenen, de onverschilligheid waarmee ze elke aanval van buitenaf weerstaan. Al maanden glijden de klauwen van de wraak als lange schaduwen over de ramen, maar binnendringen durven ze niet.
Ik treed binnen. Ook ik durf niet, maar ik moet. Ik loop de gang in. De intense stilte die zich hongerig op me werpt, vreet aan de kalmte in mijn ingewanden. De eentonige holle klanken die mijn voetstappen uit het binnenste van het huis opdiepen, staan in schril contrast met de wilde, onregelmatige galop van mijn hart.
Ik nader de enige kamer in het huis die gemeubileerd is. De enorme eikenhouten deur doet me nog kleiner lijken. Vreemd genoeg stelt dit me gerust. Ik ben te onbeduidend om vertrapt te worden, te nietig om hinderlijk te kunnen zijn. Een mier ben ik. Ik duw de deur open. Daar zit de man. Niet ver van de plek waar ik hem voor het eerst gezien heb.
Grevingh zit op een ruwhouten stoel die door een vaardige hand is versierd met vreemd houtsnijwerk. Grote muilen, enorme poten.
De man heeft een logge kwabbige kop met ogen zo diep als een plaggenput. Het hoofd ligt op de borst, het lichaam schudt onder het geweld van de immense ademtocht. Hij kan slapen. Het kan ook zijn dat hij zijn hersenkwabben afschraapt op zoek naar nieuwe woekerplannen, nieuwe manieren om zijn wil op te leggen aan het gepeupel dat hem omringt.
Er hangt een bleek waas over zijn kolossale lijf, alsof er een zilvergrijs licht uit zijn poriën sijpelt dat zich vermengt met het afgematte licht van de lamp boven hem.
Ik blijf staan. Ik kijk naar de man en voel iets van ontzag opwellen. Hier zit een kolos die om niets bekommering heeft. De intensiteit van zijn wezen, de onbuigzaamheid van zijn wil geeft hem iets monumentaals, alsof zijn streven ondanks de verderfelijke fundamenten ervan toch iets heroïsch heeft.
De ogen gaan open, de blik priemt.
Even deins ik terug. Maar ik herstel me snel.
‘Grevingh,’ zeg ik, ‘u zult wel een bult te doen hebben. Dus ik houd het kort: ik kom om uitstel vragen.’
‘Nee,’ zegt een stem die niet uit de opening van zijn mond, maar uit de holte van de haard achter hem lijkt te komen.
‘Maar door de ziekte van mijn vader…’ stamel ik. ‘Ik beloof…’
‘Nee is nee.’
In deze bitse afwijzing klinkt zoveel onverschilligheid door dat mijn ontzag onmiddellijk begint te ontbinden en zich vermengt met een giftige wolk van woede en onmacht. Deze afwijzing maakt een einde aan een gesprek dat nooit gevoerd is.
Ik had niets verwacht van mijn onderhoud met Grevingh, maar het steekt me dat ik niet eens opheldering heb mogen geven. Het nee valt me vooral zo zwaar omdat het niet de uitkomst is van wikken en wegen, maar een onveranderlijk gegeven dat al jaren her is vastgelegd. Voor Grevingh verandert de ziekte van mijn pa niets. Wie niet op tijd betaalt, maakt kennis met de gelaarsde uniformen. Kooijker en zijn knechtje Hebe, de schoonzoon. Zij kennen geen genade.
‘Jong, wat sta je daar nog?’ bijt Grevingh me toe, als ik weifelend in de deuropening blijf staan.
De donder van zijn stem doet het bloed in mijn hoofd kloppen. Het gedrein. Het getreiter. Pa is de vijfde die eraan onderdoor gaat. De schoft. De moordenaar. Niemand die hem stopt. Ik kan teruggaan. Ik kan. Nee. Ik verbijt mijn gedachten. Stel je niet aan. Zo gaat dat niet. Ik loop de trappen weer af. Toch zal het hem berouwen. Ik voel de vochtige adem van de borg op mijn huid en versnel mijn pas.
Wat nu? De boerderij zijn we zo goed als kwijt. We kunnen misschien nog een termijn voldoen, maar dan is het geld echt op. Pa heeft het niet eens meer door. Hij ijlt alleen maar. Zijn hersens zijn aangevreten door de dure medicijnenrommel van die Levi.