Pachtland – 1.3. Levi

Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |

 

Levi

← 1.2. (vorige hoofdstuk)

Zodra ik het smoezelige gordijn van de alkoof heb weggetrokken, is één blik voldoende om vast te stellen dat de patiënt stervende is. Net als bij mijn vorige bezoeken overdekt een koortsige blos het door weer en wind gelooide gezicht van de boer, maar nu schijnt daar ook een onnatuurlijke bleekheid doorheen: de voorbode van de facies mortis. De oude Bennink steunt zachtjes, maar schijnt mijn aanwezigheid in het geheel niet meer gewaar te worden. Hij is ver heen, overgeleverd aan de koortsdromen en de pijn in zijn buik die door de tumor sterk is opgezet. Ditmaal kan ik ongestoord zijn nachthemd openknopen, de instrumenten een voor een uit mijn tas pakken en routineus de nodige metingen verrichten – de temperatuur opnemen, bloeddruk bepalen, hartslag en longen beluisteren. Zelfs het koude ontsmettingsmiddel op zijn huid en de morfine-injectie gaan onopgemerkt aan de oude Bennink voorbij.
Toen ik hier voor het eerst – nu alweer enkele maanden geleden – aan zijn ziekbed verscheen, had ik de achterdocht zien schitteren in de helderbruine ogen van de oude man. In de vijf jaar dat ik hier inmiddels praktiseerde, had ik die achterdocht reeds zo vaak bij de dorpelingen bespeurd. Het was ook met merkbare tegenzin dat zijn zoon, de jonge Bennink, mij op die vrieskoude lenteochtend in maart was komen halen. Hij had er nauwelijks woorden aan vuil gemaakt, maar ook zonder enige uitleg had ik wel begrepen dat de situatie bijzonder zorgwekkend moest zijn, want doorgaans crepeerden de inwoners hier liever dan ook maar het geringste beroep te hoeven doen op “die stadse jood”. Dat enkel mijn vader joods bloed in de aderen had gehad en ik dus in werkelijkheid geen jood ben, daar hoefde ik bij dat boerenvolk niet mee aan te komen; mijn naam zei toch meer dan genoeg, bulderden ze: ‘Samuel Levi! Hoeveel joodser wil je ‘t hebben?’ Kennelijk vertrouwde de oude Bennink me ook voor geen stuiver. Amper had ik mijn thermometer en stethoscoop tevoorschijn gehaald, of de oude baas schoot met een ruk overeind en snauwde met een van angst vertrokken gelaat: ‘Je gaat me daar toch niet mee kelen, hé?’ Ook al moet die bruuske beweging de arme man binnenin verscheurd hebben van de pijn, toch kon ik hem slechts met grote moeite geruststellen. Ten slotte slaagde ik erin hem ervan overtuigen met mijn hulp weer behoedzaam te gaan liggen.
Nu zal hij hoe dan ook niet meer opstaan. Terwijl ik op mijn tenen naar de deur loop om de vermolmde plankenvloer zo min mogelijk te laten kraken, bedenk ik niet zonder weemoed dat hier niet alleen een mens de finale strijd aangaat, maar ook een mentaliteit, een wereld misschien. De oude Bennink is hooguit zeventig, maar hij behoort tot een generatie herenboeren die alles kwijt raakte en net zo hard moest werken als een gewone arbeider. Voor hen gold vrije tijd weer als een vreemd luxeproduct uit de stad. Buiten op de gang staat zijn zoon zoals steeds op me te wachten. Het lijkt wel of een onzichtbare hand hem steevast weerhoudt het sterfvertrek van zijn vader binnen te gaan. ‘Nog een paar weken, hooguit een maand’, zeg ik, wanneer ik zijn lippen een geluidloze vraag zie vormen, ‘Het spijt me, maar als uw vader niet zo’n ijzersterk hart had gehad, was het allemaal nog veel sneller gegaan.’ Ineens verharden de trekken zich om zijn brede mond en pakt hij mijn linkerbovenarm beet. Even ben ik bang dat hij me de schuld geeft van al dit leed en me aan gaat vliegen, maar dan fluistert hij met een stem die trilt van woede:
‘Verdomme, Levi, het is voorbij! Ik was vanochtend bij Grevingh. Die sprinkhaan wil van geen uitstel horen. Vaders toestand zal hem een rotzorg wezen. Ik vrees dat het geld voor je medicijnen nog even op zich zal laten wachten…’ Denkend aan mijn eigen benarde financiële toestand zoek ik naar een geschikt antwoord, maar hij vervolgt al: ‘In het dorp zeggen ze dat Grevingh je geregeld laat opdraven. Kun jij hem niet een keer een van je befaamde gifmengsels voorschrijven? Het liefst iets wat geleidelijk aan zijn hersens lamlegt?’ Dit kan hij toch niet ernstig menen? Glijdt er nu een zweem van een lachje over zijn gezicht, of verbeeld ik het me maar? Ik wil iets te berde brengen over mijn beroepsgeheim en de eed van Hippocrates, maar laat het wijselijk achterwege. Uiteindelijk doe ik alsof ik de laatste opmerking niet heb gehoord, en bevrijd alleen maar mijn arm uit die wolfsklem.

(volgende hoofdstuk) 1.4. →

Piet Devos