Pachtland – 1.4. Roggeveen
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |
Roggeveen
← 1.3. (vorige hoofdstuk)
De middagzon hangt als een gebakken ei met gebroken dooier in de melkachtige hemel. Ik laat mij per paard en wagen vervoeren naar Finsterveen. Paard en wagen! Toch het eerste bewijs dat hier hervorming vereist is. Bij Terminus Noord houdt niet alleen het spoor maar ook de beschaving op en begint het ‘bare veld’, zoals ze dat hier noemen, het is inderdaad bar en boos. Infrastructuur bestaat hier uit een overgeërfde modderpoel van boerenweggetjes en paadjes. Over de velden hangt een mysterieuze witte damp, die uit de grond omhoog lijkt te komen. Ik maak aantekeningen in mijn notitieboek, berekeningen, en slechts af en toe dwaalt de blik naar buiten om daar niets te zien. Schimmen van bomen in de mist. Er doemt een toekomstvisioen op; het is de damp afkomstig uit de strokartonfabriek die ik gepland heb.
Hier gebeurt al honderden jaar niets, en juist nu moet er daarom een voorbeeld gesteld worden. Juist nu de tijden er niet naar zijn, nu de economie en de mensen neigen naar depressie. De depressie is een fictie, iets dat zich als spinnenrag in de hoofden van de mensen heeft vastgezet. Wie de depressie wil bestrijden, moet het Kapitalisme in de mensen wakkerkussen. Ieder mens, ieder lichaam, is een begin, een instrument tot geluk. Een uitgebalanceerd dieet is daarom van belang evenals lichamelijke oefening. Minder knollen en meer groente en fruit, zou mijn advies zijn voor de mensen in het noorden. Wie een land wil opbouwen, moet met gymzalen beginnen. De koetsier maakt een geluid om de paarden tot kalmte te manen. We staan stil in het mistige landschap.
‘Wat is er gaande beste man?’, vraag ik terwijl ik mijn hoofd door het portierraampje steek.
‘Het valt mee. De merries schrokken van iets, een haas denk ik.’
De wagen heeft zich nog maar net in beweging gezet, of hij komt weer tot stilstand. De koetsier is een bekende tegengekomen. De bekende klimt bij mij aan boord en reist dus mee op mijn kosten.
‘Och, wat een toeval professor, uw komst was al aangekondigd.’ Een kleine maar goed geproportioneerde man neemt tegenover mij plaats en wikkelt zich in de paardendeken die voor koukleumende passagiers is klaargelegd. Hij is gestoken in een effen donker pak. Een kettinkje aan zijn vestzak blinkt als de verklikker van een kostbaar kleinood.
Het gezicht van de man is opvallend donker, gelooid bijna als van een landarbeider. Op zijn voorhoofd tekenen zich de lijnen af van het plattelandsbestaan.
‘Bennink is de naam.’ Er steekt een pezige hand uit de deken; ik pak hem beet. De hand is koud en klam, net zoals de omgeving waar hij zojuist uit is opgedoken. De man heeft in geen geval een boerentongval.
‘Bent u op de hoogte van de lokale politiek?’
Ik haal mijn schouders op; er is ten slotte geen lokale politiek.
‘We zijn hier in het Noorden gewend het allemaal zelf te regelen, moet u weten. We worden al sinds mensenheugenis aan ons lot overgelaten. Ik heb over de plannen gehoord. Uw plannen. Ze zijn indrukwekkend moet ik zeggen. Al ben ik bang dat er veel weerstand tegen zal zijn.’
‘En u,’ vraag ik scherp,’ bent u voor of tegen de plannen?’
‘Persoonlijk sta ik er ambivalent tegenover. Ik zie ook wel dat vooruitgang wenselijk is, maar tegelijkertijd weet ik dat het landschap van mijn jeugd ingrijpend zal veranderen. Anderen, wellicht mensen voor wie de vooruitgang een te abstract onderwerp is, zullen dat gevoel nog veel sterker hebben. En zoals gezegd, we houden niet van indringers. Neem me niet kwalijk, maar zo wordt het gezien.’
‘Ik vermoed dat mijn uitleg morgen een hoop onzekerheid zal weghalen.’
Na een half uur komen we aan bij de herberg Het Vaandel aan de rand van het uitgestrekte Finsterveense meer. De heer Bennink licht zijn hoed bij wijze van afscheid, en de taxikoets verdwijnt ratelend naar het einde van de dorpsweg om zich daar vermoedelijk in een baan rond het water te begeven. Vreemde snuiter, die Bennink, ik hoop niet dat er nog meer zijn zoals hij. De eikenhouten deur van de herberg laat een zuchtend geluid horen als ik er tegenaan duw. Het is een oude uitspanning zo te zien. Binnen drijft mij een aangename geur van brandend haardhout tegemoet.
Bij de tapkast staat een oudere vrouw. Ze is de herbergierster.
‘Er staat een reservering op Roggeveen als het goed is.’
De herbergierster neemt een zwaar opschrijfboek ter hand.
‘Hmm, u zou vanmiddag al komen, zie ik.’
‘Er waren stakingen, de trein heeft een uur in het weiland gestaan.’
‘Wat vervelend voor u, maar het is geen probleem, hier heeft u de sleutel van kamer 215.’
‘Pardon?’
‘Ja, dat is een grapje van mijn man. We hebben maar tien kamers natuurlijk, het is ten slotte een herberg, maar Herman vindt dit soort dingen leuk.’
‘Dank u wel, zou ik een telegram kunnen versturen?’
Ze knikt. Ik krijg het formulier en schrijf een bericht aan mijn moeder om haar te melden dat ik veilig ben aangekomen.
‘Nog een vraag; een collega van mij van het ministerie zou hier zijn, de heer N. Cuyp. Is hij reeds gearriveerd?’
‘Jazeker, u vindt hem in de eetzaal hiernaast. Er staat haas op het menu.’
De kleine Nico Cuyp zit alleen aan een tafel over zijn bord gebogen. Eventjes observeer ik hem, de trouwe dienaar van het ministerie; al jaren werkt hij er, lang voordat ik er kwam.