Pachtland – 11.1. Bennink
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |
Bennink
← 10.4. (vorige hoofdstuk)
Ik draai een nieuw vel papier in mijn schrijfmachine. Heerlijk om zo vroeg al achter de oude Underwood plaats te kunnen nemen. ‘Zo bedwing je de wereld,’ had professor Groeneboom gezegd toen hij me de glanzende machine gaf, uit dank voor mijn diensten als assistent, ‘met hamer en inkt.’ Ritmisch geratel vult de kamer.
Notitie 47. De hanengevechten – een herinneringMet zijn negen jaar was de jonge Bennink eigenlijk nog te klein voor de hanengevechten. Maar omdat hij de belangrijkste verzorger was van de beruchte vechthaan Blauwbaard waarmee zijn vader nu al vierendertig wedstrijden gewonnen had, werd er voor hem eenmalig een uitzondering gemaakt. ‘Kijken of het jong mans genoeg is.’ Al dagen werd er gefluisterd dat Majoor Reinders – de man die de hanengevechten had geïntroduceerd – een nieuwe haan had laten overkomen uit Spanje; van het ras dat ook wel werd ingezet om de schapen te bewaken. Het moest een ongekend agressief beest zijn, dat evenals Blauwbaard nog nooit verslagen was. Die avond zouden de twee hanen elkaar voor het eerst treffen. Een affiche kondigde het clandestiene vermaak aan: ‘Het belangrijkste hanengevecht uit onze geschiedenis. Koning Blauwbaard, de onverslagene, zal het opnemen tegen El Payaso, de Spaanse nieuwkomer. Inzetten vanaf tien cent.’Het liep al tegen negenen toen vader en zoon Bennink de boerenschuur net buiten Boekwijterdiep naderden. Er hadden zich al tientallen mannen verzameld. In hun ogen brandde de goklust; zij hoopten flink geld te verdienen vanavond. ‘Goed uit je doppen kijken, jong. Die goklui zijn niet te vertrouwen.’ De jongen wist maar al te goed dat zijn vader in niets verschilde van de ‘goklui’ waar hij nu zo gemakkelijk op afgaf. Als zijn vader niet zo fortuinlijk was geweest een Luikse Vechter aan te schaffen, zou hij ook elke maand zijn loon vergokt hebben. Het publiek had de bijna koolzwarte vogel al snel ‘Koning Blauwbaard’ gedoopt, omdat er over zijn hals een blauwachtige glans lag die in de verte deed denken aan een baard. Een profetische naam, want al gauw bleek dat Blauwbaard zijn minnaressen direct na de bevruchting doodbeet.Aan de zoldering van de boerenschuur waren twee weegschalen bevestigd voor het bepalen van de gewichtsklasse. ‘4.8 kilo. Ruim binnen de marge. Doorlopen maar.’ De jonge Bennink liep achter zijn vader aan naar de kampplaats: een klein vierkant van wit zand, afgebakend met hekken. El Payaso stond zich al uit te sloven, zijn verenpracht tonend aan elk die er oog voor had. Voor een Spaans ras was het een groot beest, maar veel meer dan vier kilo kon het niet wegen. Nauwelijks een waardige tegenstander. El Payaso viel vooral op door de lange stalen pen die aan zijn linkerpoot was bevestigd, een soort lans van ruim 7 centimeter. Deze lans was een stuk langer en buigzamer dan de mesjes van vier centimeter die gewoonlijk als sporen gebruikt werden. Een Spaanse gewoonte? Of een truc?‘Vals spel’, hoorde de jongen zijn vader al roepen. ‘Als Reinders de regels aan zijn laars lapt, kan ie ophoepelen.’ Mannen dromden om zijn vader heen. ‘Zien jullie het dan niet. Dit is doorgestoken kaart.’ Zijn vaders stem verdween in het rumoer. Niet lang daarna kwamen de mannen om de jongen heen staan.‘Kom hier, jochie.’ Een dikke kerel wenkte de jongen. ‘Weet je hoe het spel werkt?’‘Ja.’‘Prima’, de dikke kerel duwde de jongen de kampplaats op. ‘Doe je best. Over twee minuten begint het.’De jongen wist wat er van hem verwacht werd – Blauwbaard tot uiterste woede ophitsten – maar hij begreep niet waarom deze taak hem opeens was toegevallen. Waar was zijn vader gebleven? Tegenover hem zat een knecht van Reinders die als een barbaar tegen El Payaso stond te schreeuwen en met een zakmes op het dier in stak. Dan kwam het startsein. De jongen liet Blauwbaard los. Met de veren overeind vlogen de twee hanen op elkaar af. Ze wierpen zich tegen elkaar aan, omstrengelden elkaar met hun vleugels. Al snel was er enkel nog een wild kluwen van bloed, veren en poten te zien. Totdat de lange stalen lans van El Payaso naar voren schoot en de linkerpoot van Blauwbaard doorboorde. Hij deed nog een paar passen naar achteren en zakte vervolgens in elkaar. Voor Blauwbaard zich op kon richten, was El Payaso al bovenop zijn vleugels gaan staan en kon het gevelde dier geen kant meer op. De Spaanse overwinnaar blies zijn borst op en begon als een bezetene de schedel van Blauwbaard open te pikken, totdat deze volkomen bewegingloos neerlag. El Payaso sloeg met zijn vleugels en begon al kraaiend de clowneske vreugdedansen te vertonen waaraan hij zijn naam te danken had.Niet veel later verlieten twee gebogen gestalten de schuur. In de hand van de kleinste, de jongen, een kooi waarin een levenloos lichaam rustte. Hij wist toen nog niet dat dit het laatste hanengevecht was dat hij ooit zou meemaken. Het geslacht Bennink werd geweerd, zoals jaren eerder ook het geslacht Grevingh geweerd was. Al was…
Er wordt luid op de deur geklopt. Mijn vingers vallen stil. Zo vroeg al bezoek? Ik zit hier nog in mijn lange ondergoed, godbetert.
Het kloppen houdt aan.
‘Wacht even,’ roep ik naar de deur, ‘ik kom er aan.’
Mijn blik schiet door het vertrek. Snel nu, de beschimmelde etensresten aan de kant, beddengoed in de bedstee, de vuile vaat naar de keuken, kleren aanschieten…
De klink wordt naar beneden gedrukt.
‘Ik kom. Ik kom.’
Maar de deur zwaait al open. Een tochtstroom glijdt over mijn blote voeten. Dan zie ik haar in de deuropening verschijnen.
‘Thaddeus.’
Ze stormt op me toe en slaat haar armen stevig om me heen.
‘Mevrouw Levi. Ik… ik kan u zo niet ontvangen. Ik moet u verzoeken…’
Ik voel haar wang langst de mijne strijken. De zachte haartjes van haar armen lijken elektrisch geladen. Haar borsten dringen als kogels mijn lichaam binnen, op weg naar mijn hart. Ik wankel achteruit.
‘Misschien… Als u buiten even…’
Ik wil haar kussen. Niet haar mond, niet Lidia’s mond, waarvan de opening wordt begrensd door zachte, sensuele lippen die elk woord een zoete klank meegeven. En ook niet haar schouders, niet Lidia’s schouders, waarop haar golvende haren uitbundig dansen. Nee, haar handen wil ik kussen. Enkel haar handen. Dat is genoeg.
‘De dokter is verdwenen.’
Welke dokter? Over wie heeft ze het?
Dan zie ik opeens mijn blote voeten tegen de donkere vloer afsteken. Grove, platte uitsteeksels, met het vuil nog tussen de tenen. Ik heb altijd al een hekel gehad aan die bleke, misvormde poten. En dan zit ik hier ook nog in mijn vuile ondergoed. Het is al erg genoeg om je in schoon en nieuw ondergoed te moeten vertonen, maar met deze grauwe lappen kun je een vrouw als Lidia toch onmogelijk ontvangen? Hoe lang is dat ondergoed al niet gewassen? Het is smerig en het stinkt. Her en der zitten gaten. En als Lidia die bruinige vlek bij mijn bovenbeen ziet, zal ze zich zeker in walging van me afkeren. Ze zal opeens beseffen wat voor een pauper ik ben. Ze zal weten dat ik haar niets te bieden heb. Ze zal me verwijten maken. Ze zal me beschuldigen. Ik zal haar nooit meer zien. Ze zal…
‘Luister toch. Ze hebben hem meegenomen! Mijn man.’
Wat? Haar man? Dokter Samuel Levi. Verdwenen? Dus daarom is ze hier.
Ik voel haar armen niet langer om me heen klemmen. Snel, een jas aanschieten voor ze mijn vuile vodden ziet.
‘Je moet me helpen, Thaddeus. We kunnen dit niet zomaar laten gebeuren.’
Ik ga achter de tafel zitten en gebaar haar tegenover me plaats te nemen.
‘Vertel me eerst wat er aan de hand is.’
‘Het gebeurde gisteravond. Iets na zessen. Een grote auto stopte naast het huis. Het was Grevingh, met een chauffeur. Ze hebben Sam gewoon meegenomen. Ze hebben hem ontvoerd!’ Ze slaat met haar vuist op tafel. De Underwood trilt ervan. ‘Hier zal Grevingh voor boeten. We pikken het niet langer!’ Ze pakt mijn beide armen beet, trekt eraan. ‘Kom mee, we moeten de anderen waarschuwen.’



