Pachtland – 2.3. Hebe

Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |

 

Hebe

← 2.2. (vorige hoofdstuk)

Met elke stoot worden de splinters van de met olie besmeurde werkbank dieper in de pezige kuiten van Grevinghs dochter gedreven. De olie prikt in de wonden; de vrouw jammert zachtjes. Ze steunt met een hand tegen de wand met de steeksleutels, om niet weer haar hoofd tegen de uitstekende haken te stoten. Het zal niet lang meer duren. Ze wist dat dit zou gebeuren toen ze met een fles bier richting de werkplaats kwam, vreemd mens. Ik heb de carburateur behoedzaam opzij gelegd, daarna heb ik haar gegrepen. Ze zal vanavond niet naar de bijeenkomst in de kroeg kunnen lopen.
‘Bedankt voor het bier, en nu naar binnen, vrouw, of moet je nog wat? Ik ga morgen de grens over, en die motor moet op tijd af. Ik moet straks posten bij de kroeg. De ingenieur gaat spreken. Ach, daar snap je toch niets van. Hier, anders poets je nog even m’n laarzen; die kleren van je kun je later ook nog weer maken.’

De avond valt. De dorpelingen bewegen zich in kluitjes richting de kroeg.

 

Grevingh zei tegen de baas en mij: ‘Ga naar de bijeenkomst en hou de boel in de gaten!’ En nu sta ik hier voor de kroeg koppen te tellen. ‘Jij Hebe, ga voor de kroeg staan en kijk ze eens goed in de ogen, onze dorpelingen. Je bent beter gevoed dan die armoezaaiers, laat zien dat ze je niets kunnen maken. Zorg dat je je laarzen poetst en zet die pet recht op die kop van je. Waar betaal ik je voor, man?’ Alsof die makke schapen hier het verschil zien.
‘Jij, ouwe, ga binnen staan,’ had ie tegen de baas gezegd, ‘pimpel met de meute mee, en onthoud elk woord wat daar gezegd wordt. Ik wil weten wat die ingenieur zegt, en die jonge Bennink die zou nog wel eens wat van plan kunnen zijn. Hij was laatst hier, zonder geld.’ Grevingh had er verder niets over losgelaten, maar in zijn boek is wanbetaling diefstal. ‘De mensen moeten snappen dat ik niets moet hebben van die stadse plannen. We hebben net de zaak in de hand en het ontzag van de werklieden. D’r moet hier niemand langskomen met grote praat. Voor je het weet hebben we hier Russische toestanden. Daar hangen de herenboeren en hun knechten in de bomen te zwaaien!’ Grevingh leest de krant en weet hoe het zit.

 

Het dorpsvolk begint zich bij de kroeg te verzamelen. Een aantal mannen is al binnen bij de bar. Ze hebben geprobeerd zich netjes te kleden. Een onbekende man met een kalend hoofd is in de weer met rollen doek. Buiten vormt zich een rij.

 

Kijk eens wie daar loopt tussen het volk! De vrouw van de dokter en hun dochter, Miriam. Rozige krulletjes, beetje dikkig. Moet ook wel met al die deegwaren die die joden eten. Daar krijgen hun vrouwen van die lekkere putjesbillen van. Godsamme, die meid wil ik ook wel eens pakken. Elke keer dat ik daar kom, zit ze in een boek te bladeren en boterkoekjes te eten. Verwend stadsnest, helpt haar vader niet eens. Dat is er zo een die het alleen in een bed wil doen. Saaie bende. Of niet… je weet het nooit met die grieten. Schone schijn, en dan krabben en bijten. De dokter zal zich de nodige zorgen maken. Dochters… doe mij maar een zoon. ‘Godverdomme,’ had Grevingh gezegd, ‘maak je vrouw zwanger, er moet een erfgenaam komen.’ Dat heeft ze geweten, en de motor heb ik dus niet afgekregen vandaag.

 

Moeder en dochter Levi bereiken de deur.

 

‘Mevrouw de dokter, Miriam, aangenaam! Tot uw dienst! Dit soort fijn gezelschap zien we hier niet vaak. Dat geeft de burger moed. U ziet, ik heb speciaal mijn beste uniform aangedaan. Vrouwen vallen toch voor een man in uniform? Het zal gezellig worden, maar trekt u zich niet te veel aan van die oplichter uit de stad. Grevingh snapt veel beter hoe de vork in de steel zit, en zeg nou eerlijk, woont u niet in een prachtig pand? Zonder Grevingh z’n goedkeuring was u dat nooit gelukt hier op het land.’ ‘Hé jij daar, Bennink! Ik zag je wel ongemerkt naar binnen proberen te glippen, jij rat, de baas krijgt nog wat van je.’ ‘Ah, daar is de dokter zelf, op z’n minst iemand met meer dan zaagsel in z’n kop, komt u maar, komt u maar. U bent net op tijd. De meute is al bijna compleet.’

 

De zaal is vol, de laatste toeschouwers zijn binnen. De ingenieur staat op om te spreken. De beslagen oude ruiten vertekenen de spreker. Hij neemt de tijd. Zijn mond scheurt open, de handen vervormen en zijn weidse uithalen lijken hoekig als die van een marionet.

 

Het wordt fris hier buiten. Wat zou ik nu graag van binnenuit door die ruiten kijken. Het donker in. Net als met de motor door de nacht jagen, niets meer dan de straal van de koplamp. Alsof niemand je in de gaten houdt. Daar binnen vergeten ze nu vast ook dat er op hen wordt gelet. Kijken naar het raam, zien alleen het donker. Sukkels. Hebben daar binnen alleen maar ogen voor de jongens uit de stad. Snappen niet dat de wereld toebehoort aan de gasten die de andere kant op kunnen kijken. Net als toen we niet mee hebben gedaan aan de oorlog, en de fabrieken hier overuren hebben gedraaid voor de handel met Engeland. Dat waren nog eens tijden. Maar ik heb m’n natje en m’n droogje, en als ik onderweg in een weiland pis, dan pis ik op de grootse plannen, die van de stadse jongens, die van Grevingh, doet er niet toe. Dezelfde aarde, dezelfde pis, dezelfde Hebe.

 

De ingenieur wijst naar een plaatje van een boomzwam en wat paddenstoelen.

 

Die gast lijkt klaar. De baas kijkt mijn kant op. Lamzak. Op naar binnen dan maar en kijken wie d’r wat te melden heeft. En een borrel moet ik hebben.
(volgende hoofdstuk) 2.4. →

 

Konstantin Mierau