Pachtland – 2.4. Bennink
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |
Bennink
← 2.3. (vorige hoofdstuk)
Als de ingenieur is uitgesproken, maken de gelaarsde uniformen zich los van de deurpost waar ze al de hele avond aan vastgekleefd zitten, de een binnen, de ander buiten. Ze hebben hun instructies. Zou Grevingh het nu al op een akkoordje gegooid hebben met de ingenieur? Of zijn ze hier slechts als verkenners?
De ingenieur heeft ondertussen voedsel laten aanrukken. Hij denkt kennelijk dat de kwestie hiermee is afgedaan. Is het minachting? Of toch naïviteit? De moerassen van zijn verwende geest zijn zo diep dat er na jaren van inpoldering nog steeds geen droog land is verkregen.
‘Meneer Roggeveen,’ begint dominee Thaden al te murmureren, ‘u vergeet klaarblijkelijk dat u hier niet het Woord Gods predikt waarop geen enkel mens een weerwoord heeft.’
De ingenieur herstelt zich direct. ‘U vergist zich, beste man. Er is zo dadelijk ruim gelegenheid tot vragen. Gezien het tijdstip leek het me raadzaam eerst de innerlijke mens te versterken.’
Dat riekt naar bedrog. Probeert hij ons te paaien met chic voedsel en sterke drank? Om me heen klinkt geroezemoes. Ik negeer het. In mijn hoofd groeit het weerwoord waar de dominee zojuist over sprak, althans mijn versie ervan. Na een half uur gaat dominee Thaden opnieuw staan. ‘Ik maan u allen tot stilte,’ zegt hij plechtstatig. Hij, Levi en enkele anderen reageren vervolgens kort op de voorstellen van de ingenieur. Ze zijn weer teleurstellend timide, en vragen enkel om aanvullende informatie. Dan zie ik mijn kans.
‘Meneer de ingenieur,’ neem ik het woord, ‘u hebt fraaie woorden gesproken vandaag, hoopvolle woorden. U hebt ons beloftes gedaan, mooie beloftes. Een hectare per gezin. Een hele hectare! Zou het echt kunnen? Een hectare prachtige landbouwgrond?’
Ik zwijg even. De mensen kijken me enigszins bevreemd aan. Ze weten natuurlijk dat ik onderwijzer ben, maar de meesten hebben me nooit horen spreken.
‘U hebt ons allen betoverd,’ vervolg ik, ‘maar we zijn er de mensen niet naar om lang onder de indruk te zijn van magie en toverij. Hoop en argwaan strijden om de macht in de binnenste kamers van ons hart.’
Vanuit mijn ooghoek zie ik dat de gelaarsde uniformen nu ook de zaal in marcheren. Hoe voorspelbaar. Willen ze me de mond snoeren met het gedreun van hun laarzen? Dat zal niet lukken! Ik hoor mijn stem tot grote hoogten aanzwellen.
‘Meneer de ingenieur, uw toekomstvisioen is prachtig, maar is ook niet meer dan dat: een visioen over de toekomst. Het is een visioen omdat het laat zien wat er niet is. Het behoort tot de toekomst, omdat het vreemd is aan het hier en nu. In de toekomst is alles mogelijk, omdat de toekomst alleen bestaat in de verbeelding. Begrijp ons niet verkeerd: we minachten de verbeelding niet. Integendeel. Het is juist onze eigen verbeelding die ons tot scepsis maant.’
Ik hoef niet langer te wedijveren met het gedreun van de laarzen. Ze hebben halt gehouden ter hoogte van de rij waar ik me bevind. Uit elk stel laarzen puilt een uniform dat nu als een dubbele mud bedorven aardappelen tegen de muur hangt.
‘Ook wij kunnen zien wat er niet is. Wij kunnen zien wat een hectare grond – die we nog niet hebben – ons voor voordeel zal bieden. Wij kunnen zien wat voor rijkdommen – die ons nu ontbreken – de nieuwe akkergrond belooft. Maar wij laten ons niet meeslepen door dit visioen van welvaart en gelijkheid. Wij zien meer dan dat. We zien onvoorziene gevolgen die onze welvaart en gelijkheid even snel weer doen verdampen. We zien hoe goede bedoelingen stuklopen op politiek gekonkel. We zien hoogmoed, hebzucht en naïviteit.’
‘Meester Bennink heeft gelijk!’ Het is Miriam Levi die me zo ruimhartig steunt. Zij heeft meer lef dan haar vader. Miriam is een van mijn beste leerlingen. Zoals altijd is onderwijs de echte oplossing. Het achterste uniform – de schoonzoon – legt Miriam met een dreigende blik het zwijgen op. De intimidatietechnieken van de gelaarsde uniformen zijn gelukkig maar rudimentair. Ze beseffen niet dat het denken zich uiteindelijk niet laat dwingen. Hun niet-weten, hun onkunde zal ik tegen hen gebruiken. Wacht maar.
‘Ja,’ roep ik uit, ‘ook wij dromen, meneer de ingenieur. Maar in tegenstelling tot u gaat deze droom onszelf aan. In tegenstelling tot u kunnen wij niet riskeren dat de droom verwordt tot nachtmerrie. In tegenstelling tot u kunnen wij niet wegtrekken als het experiment opnieuw mislukt. Ik zeg ‘opnieuw mislukt’ omdat u zelf al het verhaal van een eerder mislukking hebt verteld. U zegt triomfantelijk: de steden zijn mislukt, ze zijn verworden tot onleefbare oorden. Toch weet u net zo goed als wij dat ook de stad ooit begonnen is met een droom over de toekomst. U hebt deze droom al tot nachtmerrie zien vergaan, maar het deerde u niet. U kon wegtrekken. U kon elders opnieuw beginnen. En nu bent u hier met uw dromen, uw toekomstvisioenen. Wie zegt ons dat dit toekomstvisioen ook niet op een mislukking uitdraait? U komt naar ons toe met beloftes, maar zwijgt over de gevaren. Wij zijn bekend met dit patroon. Onze eigen geschiedenis noopt ons tot argwaan. Een eerdere profeet van welvaart en vooruitgang heeft ons – herenboeren en arbeiders – al eens betoverd met mooie woorden en loze beloften.’
De gelaarsde uniformen hijsen zichzelf omhoog. In de zaal wordt het steeds onrustiger.
‘Deze eerdere profeet sprak ook over welvaart en vooruitgang. Hij beroofde ons, herenboeren, van onze huizen en landerijen en ons, arbeiders, van een vaste aanstelling en degelijk loon. Deze valse profeet leeft nog steeds onder ons en mest zich vet met onze landerijen en onze arbeid. Ieder van ons kent zijn naam en heeft weet van zijn bedrog. Het was…’
De burgemeester springt op. ‘Dat geeft geen pas,’ roept hij, ‘de heer Grevingh…’, zijn stem sterft weg in het rumoer dat nu losbarst in de zaal. De gelaarsde uniformen staan voor me. Ik voel hun vadsige lichamen tegen me aandrukken. Beseffen ze dat ik vanaf het begin van mijn pleidooi enkel hun broodheer op het oog had?
‘Bek dicht Bennink,’ klinkt het sissend. Het sissen verraadt hun aarzeling. Ze weten niet hoe ze me aan moeten pakken. Niet hier.
‘Het was Grevingh die…’, probeer ik nog, maar het rumoer smoort alles.



