Pachtland – 3.2. Levi
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |
Levi
← 3.1. (vorige hoofdstuk)
‘Sam, wat moest die Hebe van je?’ Lidia heeft hem natuurlijk vanuit het keukenraam zien wegfietsen en denkt nu vast dat deze ochtendlijke visite verband houdt met gisteravond. In haar stem klinkt nog steeds een zweem van de verontwaardiging waarmee ze, na thuiskomst, op de agenten heeft gefoeterd. ‘Het scheelde niet veel of ze waren Bennink te lijf gegaan! Is dit nu wat je noemt de openbare orde bewaren?’ Ook Miriam was danig geschrokken van de openlijke confrontatie, omdat ze nog niet goed begrijpt welke belangen hier op het spel staan. Ik probeerde haar uit te leggen dat de politie niet zozeer de ingenieur, als wel onze landheer in bescherming had willen nemen. ‘Dat mag wel zo zijn,’ riposteerde Lidia scherp, ‘maar ondertussen legden ze Bennink wel mooi het zwijgen op, terwijl hij de plannen van die Roggeveen bekritiseerde. Weten wij veel of die kerel niet onder één hoedje speelt met Grevingh.’ Daar had ze wel een punt, al zag ik niet meteen in welk voordeel er voor de landheer uit die inpoldering te halen viel. Maar je wist het inderdaad nooit met die sluwe vos.
‘Hij heeft weer een gewonde gebracht, lieveling, niets ernstigs geloof ik. Ik roep je wel, als ik je nodig heb.’ Ik moet mijn arm onder beide oksels van de strompelende man schuiven om hem tot aan mijn spreekkamer te ondersteunen. Loopt hij zo moeilijk door het schot of komt het eerder door de alcohol, die in een dikke walm om hem heen hangt? Als een zoutzak zijgt hij neer op de behandeltafel. Ik beduid hem behoedzaam te gaan liggen. ‘Gaat het een beetje? Heeft u erge pijn? Last van duizelingen misschien?’ Niet de minste reactie, alleen aanhoudend zacht gekerm. De jongeman – want dat is hij, hoogstens een jaar of vijfentwintig, schat ik nu ik zijn vollemaansgezicht beter kan bekijken onder de lamp – is duidelijk mijlenver heen. Ik kan me niet herinneren hem ooit eerder te hebben gezien; hij zal wel afkomstig zijn uit een naburig dorp. Een boerenknecht, te oordelen naar zijn eenvoudige kiel en stevige knuisten. Zoals zovelen hier zal hij het op een zuipen hebben gezet om de dagelijkse ellende te vergeten. En gelet op die rode vlekken in hals en gelaat moet er sprake zijn van consistent drankmisbruik, op die leeftijd al… Niet zonder schuldgevoel denk ik aan de twee nieuwe ampullen die ik de hulpagent onlangs nog heb bezorgd. Maar ja, je moet wat over hebben voor de wetenschap, en trouwens, die Hebe kwam ook zonder mij wel aan het een of andere verdovende goedje. Ik stel me alleen liever niet voor hoe Lidia het zou opvatten, mocht ze er lucht van krijgen…
Wanneer ik zijn broekspijp openknip en met een flukse haal de van bloed doorweekte stof uit de wond verwijder, schiet de jongen half overeind maar zakt vervolgens met een zucht terug achterover en lijkt alweer buiten kennis. Dat ik mijn camera uit de la pak om het been zowel vóór als na het schoonmaken van de wond te fotograferen – wat bij de meeste van zijn lotgenoten argwaan wekt, bang als ze zijn dat de foto ter identificatie zal worden aangewend -, gaat eveneens geheel aan de stakker voorbij. Hij heeft ook geen reden tot achterdocht: op dit filmrolletje staan enkel close-ups van stukjes kapotgeschoten huid, meestal van ledematen, onze anoniemste lichaamsdelen. Ik weet zelf nog niet of dit bruikbaar onderzoeksmateriaal zal opleveren; die eerste reeks moet hoognodig ontwikkeld. Voor de zekerheid maak ik steevast nog een paar schetsen van de verwondingen, maar als die verkoper de waarheid sprak, stond deze gloednieuwe camera met accordeonlens garant voor nooit geziene detailopnames. Entomologen en botanici schijnen tegenwoordig ook vaak een beroep op de fotografie te doen om de kleinste specimina te inventariseren: facetogen, meeldraden of huidlaagjes – zou het werkelijk verschil uitmaken?
Al bij al boft de boerenjongen: een schampschot, meer was het niet. Flink wat bloed, maar noch enige vitale ader, noch het bot is geraakt. Dankzij het baanbrekende werk van Max von Frey, aan het einde van de vorige eeuw, weten we dat er in de huid verschillende soorten subcutane corpuscula verantwoordelijk zijn voor de sensaties van druk, temperatuur en pijn, maar hoe die precies worden geproduceerd en vervangen is nimmer onderzocht. ‘De heling na agressieve perforaties van de huid, toegebracht door vuurwapens of scherpe voorwerpen, kan ons cruciale inzichten verschaffen in het ontstaansproces van nieuw huidweefsel’, verbeeld ik me al voor de toekomstige leescommissie te betogen, ‘Het is dit genezingsproces van de huid, in samenwerking met de afweerstoffen uit het bloed, dat ik in het proefschrift – dat thans ter beoordeling voor u ligt – heb beschreven.’
Maar goed dat wijlen dokter Bruinsma, mijn voorganger hier, me niet op die manier hoort oreren! Aan die brave borst was het positivistische geloof in de wetenschap als het heil voor de mensheid niet besteed. Toen ik hem eens met dichtgesnoerde keel bekende dat mijn eerste proefschrift was afgewezen, luidde zijn enige laconieke commentaar: ‘Mooi zo, dan kan je je nu aan je echte taak gaan wijden: mensen helpen.’ Nee, dan de landheer, die had tenminste wel gelijk in de gaten waar mijn ware roeping ligt. Ik zal nooit de dag vergeten dat ik voor het eerst op zijn slot ontboden werd, en met de hoed in de hand zijn woonvertrek binnenstapte. Met uitgestrekte hand kwam hij breed lachend op mij af:
‘Doctor Levi, I presume? Eindelijk hebben ze eens een Verlichte geest naar onze duistere contreien gezonden! Ik ken uw geschriften. U heeft Comte tenminste wel gelezen. Als uw dierbare collega Bruinsma, die kwakzalver, ook de vakliteratuur had bijgehouden, was mijn vrouw er nu ongetwijfeld nog geweest!’
Ik heb het bloeden inmiddels gestelpt en een drukverband aangelegd. De patiënt ademt nu gelijkmatiger. De pijn lijkt ook te zijn afgenomen. Ik laat hem hier maar even zijn roes uitslapen; vandaag komt er verder toch niemand en dan kan ik later vanmiddag nogmaals naar het been kijken.