Pachtland – 3.3. Roggeveen

Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |

 

Roggeveen

← 3.2. (vorige hoofdstuk)

‘Meneer de burgemeester,’ zeg ik na bedachtzaam op een door zijn vrouw klaargemaakte sperzieboon te hebben gekauwd en deze te hebben doorgeslikt, ‘laten we eens de opties voor een referendum op tafel leggen.’ De sperzieboon smaakte goed, sappig en fris. Het  is geruststellend om te weten dat er ook andere dingen dan mist uit de bodem van deze streek kunnen komen. ‘Het is van belang dat mijn ambtenaren voor het einde van de maand de bouwfases nog op de kalender kunnen zetten.’
Nico is vanmorgen reeds vertrokken met een vrachtwagen van het ministerie die hem vanuit Delfzijl op weg naar het westen heeft opgepikt. Nico leek blij te zijn dat hij weg kon.
De katoenrollen hebben we in een vergaderruimte opgehangen van de parochie, zodat de dorpelingen zo nu en dan terug kunnen keren naar de toekomst die hen te wachten staat. De burgemeester ziet er gespannen uit, dat was vorige maand wel anders. Op het ministerie was hij een heus heertje geweest. Met zijn snor, bolhoed en wandelstok had hij energiek geleken, strijdlustig zelfs. Nu zijn de tekenen van oververmoeidheid zichtbaar onder zijn ogen en trekt hij zenuwachtig met zijn wang waardoor het lijkt alsof hij de hele tijd knipoogt.
‘Ja, dat is goed dat u daar over begint. Natuurlijk moeten we zo snel mogelijk de volgende stappen gaan zetten. Wat stelt u voor?’
‘Laat de stemming eind deze maand plaatsvinden, dan zijn er nog voldoende mogelijkheden voor mensen om de details door te nemen en eventueel schriftelijke vragen aan het ministerie te sturen,’ik laat een stilte vallen en voeg er dan nog wat aan toe, ‘democratie is een groot goed, nietwaar.’
‘Een groot goed, ja,’ zegt de burgemeester tussen zijn tanden en hij maakt een briesend geluid door zijn neus, alsof hij de spanning uit zijn lichaam wil laten ontsnappen. Dan schraapt hij nogmaals zijn keel: ‘Er zijn geheimen in het dorp meneer de ingenieur, onuitgesproken zaken, democratie, natuurlijk is dat er ook wel, tot op zekere hoogte bedoel ik, maar er is ook….hoe zeg ik dat nu, juist, er is ook traditie.’ De burgemeester maakt omtrekkende bewegingen en ik geef hem te kennen dat het voor mij moeilijk is te raden waar hij op aanstuurt.
‘Graag zou ik Theodorus Grevingh bij de besprekingen willen betrekken.‘ De burgemeester neemt een stevige slok wijn nu hij zijn kaarten op tafel heeft gelegd.
‘Wat bedoelt u precies?’ vraag ik hem terwijl ik al voel aankomen dat het mis is, dat de burgemeester niet de man is die hij eerder had geleken. ‘We zijn nu alleen bezig met het referendum over de inpoldering van de Finsterveense plas, we hebben het nog niet over de landbouwgrond aan de randen van het meer, dat is pas fase twee. Het meer is niet van Grevingh dat is van de gemeente.’
‘Klopt als een bus!’ roept de burgemeester veel harder dan nodig,‘toch werken we hier anders dan u wellicht gewend bent in het Westen, traditie weet u nog wel, folklore, bloedlijnen overerving en gebruiken. Het speelt allemaal een belangrijke rol.’ De burgemeester schreeuwt nu bijna van opwinding. ‘Ik begrijp dat heel goed, wat ik niet begrijp is wat Grevingh met het referendum te maken heeft. Het referendum gaat ten slotte alleen de dorpelingen wat aan.’
Ik prik in een aardappel. Een heerlijke aardappel, dat moet gezegd. De burgemeester lijkt de woorden die hij wil spreken eerst voor te proeven: ‘Grevingh is iemand ie hier altijd al is geweest,  al ver voordat ik hier naartoe kwam was Grevingh er al, geworteld in de klei zoals dat heet….’
Op dat moment is het net alsof ergens een schot wordt gelost, ik schrik op, want dit is niet het moment van de dag om te gaan jagen. Maar de burgemeester zegt dat het de motorfiets is van Hebe. ‘Wie is Hebe?’ Vraag ik. ‘Die zou ik uit duizenden kunnen herkennen,’ fluistert de burgemeester met schorre keel en zonder antwoord te geven op mijn vraag. Samen met de burgemeester luister ik nu naar het geluid dat naderbij komt. Net als hij zit ik wat ineengedoken aan de tafel. Om eerlijk te zeggen klinkt het niet echt bedreigend, eerder gezellig knapperend zoals een haardvuur gezellig kan zijn, maar het is de burgemeester die als een knaagdier zijn oren spitst. Klaar om weg te sprinten naar een gat in de grond. En dan komt het gezicht, het schuift als een bleke planeet langs het donkere raam net boven het gordijntje. Het moeten enkele seconden zijn geweest dat deze Hebe staand op zijn motorfiets bij de burgemeester naar binnen kijkt en ons aan tafel ziet zitten. Het is dit maanlandschap van een gezicht, het stoppelige hoofd met het gescheurde oor en de krater boven het rechteroog dat als een nabeeld achterblijft. Het is net alsof het op dat moment nogmaals gebeurt, maar dan oneindig veel langzamer en zonder het geluid van de motor. Het hoofd dat schijnbaar zonder lichaam voor even gevangen wordt in de zwarte rechthoek van het raam als een clown die  kiekeboe zegt, maar tegelijkertijd zegt het ook iets anders, het zegt ook: ‘Ik heb je gezien.’
Als Hebe weg is, zijn de burgemeester en ik allebei even stil. Dan probeer ik voorzichtig de draad van het gesprek weer op te pakken, maar er lijkt een einde te zijn gekomen aan deze bespreking.
Op weg naar de herberg wordt mijn gemoed bezocht door een gevoel onvrede en frustratie. Ik had graag wat zaken duidelijk gehad, ik had willen doorpakken, maar het ziet ernaar uit dat ik mijn verwachtingspatroon moet bijstellen. Een man als de burgemeester komt schijnbaar in beweging, hij toont enthousiasme en gaat een heel eind met je mee, maar dan als je even niet oplet zet hij weer een pasje naar achteren en hij roept nog dat hij eraan komt maar een moment later is hij alweer wat verder weg. Een man als de burgemeester zit vast aan een onzichtbaar elastieken draad van de traditie, op een bepaald moment is de rek eruit, dan kan hij alleen nog maar toegeven aan de werkelijke krachten die hem beheersen. Langzaam maar zeker wordt hij teruggetrokken naar punt nul en ik heb zo het vermoeden dat er op dat punt een huis staat, een groot bakstenen huis, dat ook een kasteel of borg genoemd kan worden. De traditie en folklore waar de burgemeester over sprak hebben een naam en het is niet moeilijk te raden wel naam dat is: Theodorus Grevingh.

(volgende hoofdstuk) 3.4. →

Bram Esser