Pachtland – 4.1. Roggeveen

Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. |

 

Roggeveen

← 3.4. (vorige hoofdstuk)

Grevingh, of de Kop zoals ik hem al snel noem, lijkt schijnbaar onbewogen naar mijn verhaal te luisteren. Zijn enorme handen liggen met hun ruggen op zijn bovenbenen. Zo nu en dan spant hij ze aan tot een vuist. Het lijkt een vorm van ademhalen te zijn, in en uit, eerst de ene, dan de andere hand. Terwijl de Kop tussen zijn half gesloten oogleden naar me loert, gaan zijn handen open en dicht. De man en zijn houten troon, hij lijkt er haast mee samen te vallen. Een massief blok in het midden van de kamer. Was dat opzet? Nergens meubels of iets waar je wat neer kan leggen. Er hangen zelfs geen schilderijen aan de muur. De open haard is een ijzingwekkend zwart vierkant zonder vuur. Een kille wind waait door de schoorsteenschacht naar binnen. Mijn verhaal, mijn idealisme om het zo maar eens te noemen, lijkt hier stuk te slaan op totale onbeweeglijkheid en desinteresse. Alleen toen ik het had over de begrafenis die ik zag op weg naar de borg, leek er iets te gebeuren, niet dat zijn handen hun ritme lieten verstoren, maar zijn linkerooglid trilde iets. Nu gaan zijn beide ogen open, hij lijkt ineens klaarwakker als hij spreekt. ‘Ik heb geen kinderen,’ zegt de Kop, ‘al mijn kinderen zijn mislukt. Mijn imperium zal samen met mij ten onder gaan. Waarom zal ik u dan uw zin geven, meneer de polderprofessor? Waarom zal ik u nou laten dansen op de ruïnes van mijn ondergang?’ Ik meen een zweem van ironie te herkennen. Het houdt zich op in een mondhoek.
Ik heb Nico laten uitzoeken welke grondpositie de Kop precies heeft en Nico meldde dat hij er niet helemaal uitkwam. Op papier lijkt Grevingh nauwelijks grond te bezitten. Toch betalen de boeren hem pacht, er moet dus sprake zijn van mondelinge afspraken. Het is om gek van te worden. Ik heb altijd gedacht dat Nederland dan wel geen natie in de voorhoede van de moderniteit was, maar wel een keurig land, waar dingen werden geregeld volgens afspraak en waar regels ook echt ergens voor stonden. Op deze vlek, die wel degelijk op de kaart staat, blijkt ineens een burgemeester te wonen die feitelijk niets te zeggen heeft. Ieder plan, iedere ambitie lijkt hier weg te zinken in de drassige grond. Vooral met die regen, je wordt er haast moedeloos van. Mijn medewerkers zijn hier geweest en hebben overal een oproep door de brievenbus gedaan om te komen stemmen in de herberg. De burgemeester had tenslotte de organisatie uit handen gegeven. Er is niemand komen opdagen. Niemand. Nu ben ik dus toch met Grevingh gaan praten, met de Kop, maar het is volstrekt onduidelijk wat hij nou eigenlijk wil.  Wat is zijn spel en waarom maakt hij van die onbegrijpelijke opmerkingen over zijn dochter, heeft de man dan geen hart?
‘Meneer Grevingh, het is spijtig om te horen dat het met uw nageslacht niet zo van de grond is gekomen. Beschouw de regio als uw erfgenaam, Finsterveen, dit is uw erfenis; het is uw kans om echt het verschil te maken.’ Ik hoor mijn eigen stem tegen de muren weerkaatsen. ‘Tijdens mijn voordracht in de herberg heb ik uiteengezet dat de steden in het westen als beschavingsmodel hebben gefaald, dat modernisering ook mogelijk is met behoud van tradities in een rurale gemeenschap. Dat moet u toch aanspreken?’
Als dorre bladeren vallen mijn woorden op de grond. Het woord traditie doet de Kop duidelijk maar weinig. Ik besluit te gaan doen wat ik me had voorgenomen juist niet te doen. ‘Door de inpoldering van het Finsterveense meer komen er gigantische hoeveelheden landbouwareaal vrij. Dat past ook in het overheidsbeleid van Nederland. Rationalisatie van de landbouwsector om voedseltekorten tegen te gaan. In ruil voor zeggenschap over de landerijen kunt u grond terugkrijgen in de polder. Stelt u zich eens voor: u woont al aan het water, dus u kijkt dan uit over vele hectaren grond. Uw land, misschien wel…’
Er trekt voldoening over het gelaat van de Kop, al kan ik niet goed zeggen waar hem dat in zit. Het is net alsof er voor even een trilling door het landschap van ogen, mond en wenkbrauwen trok, die een seconde later alweer is verdwenen. Het zit me niet helemaal lekker. Ik krijg sterk het gevoel ergens in te zijn getuind, alleen weet ik niet precies waarin. Dan staat hij op. Ik schrik want hij grijpt zijn dubbelloops jachtgeweer waar hij een enkele huls in stopt.
‘…maar wat… ik bedoel.’
Hij loopt me voorbij naar het raam dat hij in een eenvoudige beweging openduwt. Het regent nog steeds. Hij plaatst zijn laars op de vensterbank en legt aan. Een schot in de lucht. De kopt bukt zich om de huls te pakken en noteert iets in een boekje. Volslagen onbegrijpelijke handelingen. Hij scheurt het blaadje uit zijn boekje en rolt dat op in de huls die hij uit het raam gooit. Dan wendt hij zich tot mij. ‘Meneer Roggeveen, maakt u de papieren in orde.’

(volgende hoofdstuk) 4.2. →

Bram Esser