Pachtland – 4.2. Bennink
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |
Bennink
← 4.1. (vorige hoofdstuk)
We hebben pa’s naakte lichaam – dat volgens zijn laatste wensen zonder kleren of andere bezittingen begraven moet worden – nog maar net in de kuil laten zakken, als in de verte een doffe knal klinkt. Met de schoppen nog in de handen kijken we elkaar zwijgend aan. Ikzelf, Brongers, Udema en Levi. Ieder van ons kent het knetterende monster dat elke zoveelste minuut een doffe knal uitbraakt. Ieder van ons weet wat er op handen is.
Het veld achter pa’s boerderij is gehuld in een vochtige regendamp. Pa is nog geen twee dagen dood, maar de ontbinding is al ingezet. Het regenwater dat de kuil steeds verder vult, slobbert gulzig aan zijn lichaam. Een geur van rottend water dringt onze neusgaten binnen en benevelt onze hersens zodanig dat we in die dikke klonterige brij geen enkel gevoel, geen enkele gedachte meer aantreffen. We staren enkel voor ons uit, terwijl de onregelmatige, doffe knallen al sterker aanzwellen en nu ook het geknetter hoorbaar wordt.
Dat is niet het enige wat zich aan ons oor opdringt. Wie luistert, hoort het slijk slikken en de regen striemen. Opeens beseffen we dat het slijk met ons samenspant, dat de regen ons te hulp schiet. We weten dat het niet zal baten, maar toch wekt dit besef hoop in ons gemoed. We weten dat de hongerige muil van het slijk tevergeefs naar de voortjakkerende rubberen banden hapt. We weten dat de regen zich vruchteloos stort op het metalen hart waarin het vuur standvastig brandt. De aarde is machtig, maar dit valt buiten haar domein.
De doffe knallen resoneren nu zo luid dat we de neiging moeten onderdrukken om onze oren te bedekken. Het geluid zakt weg totdat we opeens niets meer horen.
Uit de afgehakte bomen die met verweerde koppen uit de grond steken, sijpelt een onrustige stilte. Voor even vergeten we waarom we hier bijeen zijn gekomen. Verleden, heden en toekomst verdwijnen in het klamme waas van de regen die ons met zijn vlerken steeds verder de vergetelheid in sleurt en uiteindelijk elke vorm van tijd doet verdampen. Alleen het nooit en het nergens bestaan nu nog en houden ons in hun ban.
Onze oren suizen, onze ogen branden. Beelden trekken vertraagd langs ons netvlies, maar we registreren ze niet. We zien niet hoe een opgeblazen uniform zich losmaakt van het gemotoriseerde monster dat het droeg. We zien niet hoe het kalm zijn leren handschoenen verwijdert en in de zakken van zijn jas steekt. We zien niet hoe er een schaduw over de kuil voor ons schuift en zo de duisternis in de diepten ervan nog verder intensiveert.
Dan opeens dringen deze gewaarwordingen alsnog in onze geest binnen. De tijd begint weer te stromen en we hoesten het zojuist gepasseerde verleden stukje voor stukje op, net zolang tot onze situatie weer in zijn volheid voor ons oprijst.
Nu is de verlamming verbroken en opeens weet ik het weer, opeens begrijp ik weer waarom ik hier ben en wat ik moet doen. Zonder iets te zeggen steek ik de schop in de modderige aarde, zet kracht met mijn voet, breng de schop weer omhoog en werp de aarde in de kuil voor me. Er klinkt een zachte plons.
De vredige echo van het opspattende water wordt echter al snel verscheurd door de schorre stem van het opgeblazen uniform.
‘Dit land is van Grevingh.’
Ik steek de schop nogmaals in de grond, werp een nieuwe kluit aarde in de kuil. De schaduw van het uniform beweegt in mijn richting. De anderen steken nu ook hun schoppen in de grond. Even later klinken er vlak na elkaar drie plonzen. Alleen de dokter kijkt zwijgend toe. In zijn hand rust geen schop, hij is hier uit medische overwegingen.
Ik stel mijn oor af op het ritme van de schop die klieft, heft en neerwerpt. Ik hoor het slurpen van de modder, het zuigen van de aarde. Er zijn geen andere geluiden. Er is geen andere wereld dan die van de schop. Mijn schouder duwt, mijn voet zet kracht. Totdat er hard aan mijn kraag wordt gerukt. Ik grijp de schop nog steviger vast. Er volgt een tweede ruk. Er valt iets. Water spat op. Het slurpen en zuigen houdt aan, gevolgd door twee plonzen. Dan niets meer. Ik hoor alleen nog een bonkend suizen. Het slurpen zwijgt, het zuigen sterft weg. De plons blijft uit. Het lijkt nu zelfs alsof het zachte ploffen van de regen is stilgevallen.
Er is geen veld meer, geen kuil, geen lichaam. Er is enkel nog een gezicht. Grevingh.



