Pachtland – 5.2. Bennink

Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |

 

Bennink

← 5.1. (vorige hoofdstuk)

‘De bewijslast ligt bij u,’ bleef notaris Siccama uit Winschoten maar herhalen. Dat was in 1904, vijf jaren nadat Grevingh zijn hulp had aangeboden. ‘De bewijslast ligt bij u.’
Eerst besefte pa niet wat deze woorden betekenden. Totdat bleek dat geen van de zeven herenboeren – pa en zes anderen – een verkoopakte kon overleggen. De documenten die ze de notaris in bewaring hadden gegeven, waren verloren gegaan in een brand, ontstaan door onbekende oorzaak, al twijfelde pa er later geen moment meer aan dat Grevingh en de notaris daar zelf de hand in hadden gehad.
Nog drie straten. Als ik doorloop ben ik nog net op tijd voor mijn afspraak met de ingenieur. Hij schijnt niet te beseffen dat Grevingh zijn land onrechtmatig heeft verkregen; misschien kan het hem niets schelen, misschien kiest hij – net als de notaris – altijd de zijde van de bezitter, ongeacht de rechtmatigheid van diens bezit.
Geen van de zeven herenboeren – zes waren toen nog in leven, de zevende werd vertegenwoordigd door zijn weduwe – kon bewijzen dat er in de oorspronkelijke verkoopakte een clausule was opgenomen die Grevingh ertoe verplichtte het land tegen dezelfde prijs terug te verkopen aan de oorspronkelijke eigenaar, enkel vermeerderd met een rentepercentage. Grevingh beweerde zich niets te herinneren van deze voorwaarden. Hij zwaaide enkel met zijn eigen kopie van de koopakte, waarin een dergelijke clausule ontbrak. Had hij de koopakte vanaf het begin af aan zo laten opstellen of was deze pas later vervalst? Pa wist het niet.
‘Opzij!’
Er dendert een boerenkar met aardappelzakken rakelings langs me heen. Deze steeg is te nauw. Daar zou de ingenieur wat aan moeten doen, daar zou hij iets kunnen betekenen. Maar nee, hij is meer geïnteresseerd in de grootsheid van zijn plannen dan in de uitvoerbaarheid ervan.
Ja, het spel van list en suggestie is ook de ingenieur niet vreemd; ook hij schermt met lege termen die rechtvaardigheid suggereren, maar enkel het tegenovergestelde bewerkstelligen. Ook hem zal de term ‘bewijslast’ voor in de mond liggen, net als de notaris. Pa had vanaf het begin argwaan moeten koesteren, maar hij had geen keus: hij had het geld nodig om zijn schuldeisers tevreden te stellen.
Niemand bevroedde destijds dat Grevingh de misoogsten van 1898 en 1899 moedwillig in werking had gezet. Het was Grevingh – althans daar wijst alles op, ook hier ontbreekt bewijs – die de beruchte schimmelplant had opgekweekt, de oorsprong van de graanziekte, de oorzaak van de twee grootste misoogsten uit de geschiedenis van Finsterveen.
Ja, ook de ingenieur zal vragen naar de ‘bewijslast’, de term waarmee pa telkens weer werd afgetroefd. Niet alleen op die ene dag in 1904, toen de omvang van Grevinghs bedrog langzaam aan het licht was gekomen – misoogst en contractbreuk –, maar ook in alle navolgende jaren toen het protest van pa telkens opnieuw gesmoord werd in de woordenvloed van de notaris. Maar pa gaf niet op. De berooide herenboeren – de zes mannen en de weduwe – sloten een verbond, bekrachtigd met het bloed van een jonge stier, vers van de dracht, met het geboorteslijm nog aan zijn flanken. De ingenieur mag hiervan niets weten: hij zou niet begrijpen wat het betekent om erfgenaam en getuige te zijn van een verbond, bekrachtigd met bloed.
Het is druk op het plein. De kinderen stuiteren, de vrouwen fluisteren, de knechten krommen zich. Zouden ze weten wat ik bij me draag? Zouden ze er in geloven, als ze het wisten?
Geloof ik er zelf nog in?
Wie zegt dat het mij – erfgenaam – beter zal vergaan dan pa? Ik, vorser van woorden uit een onheuglijk verleden dat enkel nog oprijst uit hetzelfde leugenachtige papier dat ons geslacht geruïneerd heeft? Wie zegt dat het mij – getuige – beter zal vergaan? Ik, drager van onvoldane beloften uit een tijdperk dat niet het mijne is en waarin ik nu zelfs een vreemde, een buitenstaander wil verstrikken met behulp van de ‘bewijzen’ waar het pa aan ontbrak, gestolen uit de nalatenschap van de notaris?
Daar is de herberg. Bij de deur aarzel ik. Ik kan nog terugkeren. Maar nee, ik mag niet langer uitstellen wat ik mijn vader op zijn sterfbed beloofd heb en waarvan het eerste bedrijf zich vandaag zal voltrekken.
Binnen been ik de gelagkamer door – iedereen negerend – de trap op, tot ik voor de deur van kamer 215 sta en aanklop. De ingenieur verschijnt in de deuropening, vrijwel naakt; hij draagt enkel een reepje stof ter grootte van een vaatdoek. De naaktheid van zijn glimmende ledematen schreeuwt mijn ogen toe. De geur van zweet en olie danst in mijn neusgaten.
‘Ik tref u ongelegen’, stamel ik. ‘Ik zal later terugkomen.’
Ik hoor mijn eigen voetstappen al wegsnellen, de gang door. Maar de glimmende ledematen glippen achter me aan als een vochtige schaduw. Nog voor ik de trap bereik, voel ik een hand op mijn schouder. Ik deins terug, maar de ingenieur laat me niet gaan.
‘Meneer Bennink, wacht toch even.’
We keren terug. Zijn linkerarm door mijn rechter, terwijl er door de dunne stof van mijn kleren een naakte dij tegen me aandrukt. De zenuwen in mijn ooglid trekken samen en in mijn hoofd vormt zich een prop. Mijn linkerarm begint te trillen. We marcheren de kamer binnen.
‘Doet u aan sport?’ vraagt de ingenieur, terwijl hij me met zachte hand in een stoel dwingt. ‘Nee? Het is werkelijk verfrissend. Ik kan het u echt aanraden. Het zuivert het lichaam en verlicht de geest.’
De ingenieur lijkt niet van plan te zijn zich te kleden. Hij gaat tegenover me op de grond zitten. Zijn naakte lichaam zuigt alle lucht uit de ruimte. De muren spiegelen zijn glimmende huid. Hun schijnsel steekt in mijn ogen.
‘De thee is nog niet klaar’, ratelt de ingenieur. ‘Ik had u later verwacht. Mijn onderzoek heeft uitgewezen dat «de veenbewoner» zich gaarne ontziet stiptheid in acht te nemen. Ik zie mezelf als amateur-antropoloog en voeg me altijd naar de gewoonten van de stam die ik onderzoek. In u tref ik ongetwijfeld een gelijkgestemde geest, een collega.’
De ruimte krimpt steeds verder en het is alsof de herberg aan het schuiven is gegaan en nu dreunend een heuvel afrolt. Des te onbegrijpelijker is de onverstoorbaarheid waarmee de ingenieur op me in blijft praten. Alsof hij me iets duidelijk wil maken, iets van groot belang, iets wat mij aangaat en wat ik niet mag missen. Maar ik versta niet wat hij zegt. Ik hoor enkel het aanzwellende gonzen van de muskietenwolk uit zijn mond.
De schreeuw van de fluitketel scheurt het gonzen aan stukken.
‘Het water kookt’, zegt de ingenieur terwijl hij opspringt
Ik schuif mezelf uit de stoel en wankel naar de achterste hoek van de kamer. Bij de vensterbank vindt mijn lichaam steun. Mijn handen vinden het raam, openen het. Frisse lucht. Het draaien stopt.
‘Ik heb speciale kruidenthee gekocht.’
Ik klamp me vast aan de kalme stem van de ingenieur en schudt de beklemming langzaam van me af.
‘Het is u vast ook al opgevallen’, hoor ik de ingenieur nu zeggen, ‘dat Finsterveen in een eigenaardige relatie staat tot de tijd. Het is alsof de tijd hier de hik heeft. Telkens is er een lange aanloop waarin je enkel wacht en dan opeens – hik – gebeurt er iets en begint het wachten opnieuw. Het komt altijd onverwacht en is altijd onbenullig.’
Ik houd mijn blik strak op de deur gericht. De glimmende ledematen blijven mijn ogen belagen, maar ik geef ze geen kans meer.
De ingenieur pauzeert even: ‘Wat denkt u?’
Ik weet niet wat ik moet zeggen. Om me toch een houding te geven, haal ik de koopakte van Grevingh uit mijn tas. ‘Dit is wat ik u wilde laten zien’, zeg ik, terwijl ik aarzelend naar voren loop en hem het document overhandig. Met gestrekte arm, dat wel.
‘Een doodgewone akte’, mompelt de ingenieur, terwijl hij het document bekijkt. ‘Wat moet ik hiermee?’
‘Met deze akte is het bedrog van Grevingh begonnen. Let u vooral op die veeg, de derde regel van onderen.’

(volgende hoofdstuk) 5.3. →

Martijn Boven