Pachtland – 6.4. Bennink
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |
Bennink
← 6.3. (vorige hoofdstuk)
De Hoofdstraat is verworden tot een bruisende symfonie van lichamen waarin het stotende ritme van stribbelende dierenlijven zich paart aan de onregelmatige dreun van de veilinghamer. ‘Hoor ik zeventien? Die meneer met de bolhoed misschien? Niet? Eenmaal, andermaal, verkocht!’ Onderwijl zwelt het gejengel van het dreinend grut telkens aan om even later weer weg te zinken in zachte snikgeluiden, gedempt door roze suikerspinnen en warme oliekoeken. ‘Mama, ik wil een ijsco.’ ‘Niet nu, we gaan zo naar huis.’ ‘Neeeeh, ik wil een ij-ijsco.’ Tussen dit alles door klinkt de kwetterende sirenenzang van reikhalzende jonge vrouwen wier lichtend gezicht gaten scheurt in de grauwe sluier van opstuivend stof. ‘Heb je gezien wat Dina bij die zigeuners heeft gekocht?’ ‘Nee, wat dan?’ ‘Een minuscuul zijden onderbroekje waar je zo doorheen kunt kijken.’ Mijn zinnen worden overspoeld met indrukken waarvan het lichaam verslag doet in afwisselende vlagen van levenslust en weerzin, hartstocht en weemoed.
Ik nader het punt waar de Hoofdstraat aan beide zijden door huizen wordt geflankeerd. Lijven worden stijf tegen elkaar aan gedrukt. Het gedrang wordt zo hevig dat een kinderwagen door zijn wielen zakt. Het bonkige vrouwmens dat het gevaarte voortduwde, staat er zachtjes bij te jammeren. Een blauwe overall buigt zich naar voren en strekt zijn armen uit naar de zuigeling. ‘Hè,’ roept hij lachend, ‘er liggen alleen vier zakken aardappels in.’ ‘Ben je niet goed wijs, oud wijf,’ schreeuwt een marktvrouw, vanachter haar wafelkraam naar het bonkige schepsel, ‘we schrikken ons dood.’ De blauwe overall duwt de kinderwagen ruw aan de kant, waarna de menigte onverschillig over het blikken gevaarte heen walst. De aardappels rollen alle kanten op.
Ik voel een hand op mijn schouder. ‘Bennink’, klinkt een stem.
Ik draai me om. ‘Lammert, goed je te zien. Heb je nog nagedacht over ons plan?’
De jongen grijnst. ‘Wij tweeën steken de boel in de hens; mijn maten komen blussen. Grevingh zal niet weten wat hem overkomt.’
‘Over twee weken dus?’
‘Ja, dan is de commandant op cursus. Ik moet nu gaan.’
Voor ik iets terug kan zeggen is Lammert alweer verdwenen. Even later zie ik hem en zijn maten naar het plein snellen. Ze springen van dak tot dak, terwijl ze de wildste capriolen uithalen. Een voorproefje van hun demonstratie op het plein, later vanavond. De mensen klappen. Het is een raadsel hoe Lammert het voor elkaar heeft gekregen, maar hij is er glansrijk in geslaagd om het groepje ongeschoolde boerenknechten af te richten tot een gedisciplineerde brandweercompagnie. En dat in nog geen twee jaar tijd. Marcheren, duelleren, gymnastiek, een olympiade, niets is ze te gek. De commandant strijkt met de eer, maar Lammert is degene naar wie geluisterd wordt.
Links voor me loopt een blonde griet uit de stad. Veel kous en weinig rok. Ik zie een hand over haar zitvlak glijden en tussen haar benen verdwijnen. Ik wil al te hulp schieten, maar de griet geeft geen kik en laat de knaap achter haar begaan. Misschien moet ik ook eens zoiets proberen.
Vlak voor het punt waar de Hoofdstraat overloopt in het plein, is de menigte schokkend tot stilstand gekomen. Pas heel langzaam komt de boel weer op gang.
De oorzaak voor het oponthoud is onduidelijk, maar lijkt iets te maken te hebben met de de pruik die opeens uit de menigte is opgedoken. Het is een grauw geval dat het midden houdt tussen de haartooi van een Engelse opperrechter en een zeventiende-eeuws herenkapsel. De ooit zo sierlijke krullen hangen nu futloos neer. Onder de pruik wordt een borstelige kop zichtbaar met gloeiende ogen die me vaag bekend voorkomen. De mond beweegt heen en weer, maar ik ben nog te ver weg om iets te kunnen horen.
De pruikdrager heeft een nogal ongelukkige plek uitgekozen voor zijn toespraak, tirade, declamatie of wat het ook is. De mensen achter ons worden ongedurig en het gedrang neemt voelbaar toe. We worden naar voren gestuwd, of we nu willen of niet. Flarden van de toespraak beginnen tot me door te dringen, ‘…het geweten…’, ‘…niet te pikken…’ Even later kan ik de pruikdrager volledig verstaan. ‘Ik verkondig u een boodschap van liefde’, preekt hij.
Het profiel van de pruikdrager tekent zich nu duidelijk af. Hij heeft zich in een nauwsluitend, versleten kostuum gehesen, dat in de verte doet denken aan de uniformen van de napoleontische garde: lange laarzen, rode epauletten. Een kluitje opgeschoten jongens dromt om hem heen. Zij zijn de eigenlijke oorzaak van de opstopping.
‘In protserige godshuizen’, tiert de pruikdrager, ‘bevingert u uw beurs al jaren wellustig, terwijl de eerlijke schede van de hoer uw tastzin nog steeds moet ontberen. Hoe lang nog?’ De jongens joelen. Een van hen snijdt met een mes een stukje van de jas van de pruikdrager af. Een aandenken? Een relikwie? Wie zal het zeggen.
Opeens duikt er een rood meloengezicht op tussen de nog nooit geschoren kaken van de jongens. ‘Het is een schande,’ sputtert het meloengezicht, ‘u spot met alles wat eerbaar is.’ Ik herken die stem. Het is de amandelverkoper. Een goedaardige sul.
‘Dit heerschap’, roept de pruikdrager met hernieuwde energie, ‘schijt uit hetzelfde gat als de gierige huichelaars van wie ik deze wiebelige katheder onrechtmatig verworven heb.’ Hij wijst naar de stellage onder hem die bestaat uit drie op elkaar gestapelde houten kistjes. Zwierige letters getuigen van een vorige eigenaar: “Koperwerk Reinders.”
Het kluitje jongens heeft zich ondertussen op de amandelverkoper gestort. ‘Schurftige Jood’, schreeuwt er een.
De pruikdrager raast onverstoorbaar door. ‘De schraapzuchtige zedenpreker spreekt schande van de hardwerkende arbeider die zijn echtelijk bed onbeslapen laat en zijn schamele loon verbrast aan kortgerokt genot. Nee, neem dan de zedenpreker. In het openbaar vermaant die azijnpisser zijn gehoor tot deugd en matigheid; thuis pleegt hij al jarenlang ontucht met zijn eigen vlees.’
De pruikdrager wendt zich tot de jongens: ‘Wat doen we met zedenprekende kwezels?’ Maar zijn vazallen hebben geen aansporing nodig. Twee van hen hebben de amandelverkoper al in bukkende houding gedwongen, terwijl een derde met zwaaiende heupbewegingen tegen zijn achterste bonkt. ‘Pompen als een Jid’, roepen ze uitgelaten.
Het gedrang wordt nu zo groot dat de stapel met kistjes vervaarlijk begint te wankelen. De pruikdrager weet er nog net op tijd af te springen en verdwijnt in de menigte. Tijdens de sprong schiet het bovenste kistje onder zijn voeten vandaan en raakt een van de jongens vol in het gezicht. Het loon van windvanen en bullebakken.
Ik speur naar de pruikdrager, maar zie zijn futloze krullen nergens opduiken. Die libertijnse raddraaier heeft geen greintje fatsoen, maar hij weet zijn tong wel te roeren. Als hij te temmen is, kan hij best nog eens van pas komen.



