Pachtland – 7.2. Bennink
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |
Bennink
← 7.1. (vorige hoofdstuk)
Lammert gaat voorop. Ik volg hem zwijgend. Zijn kapmes klieft het struikgewas. Hij doet dorre takken knappen en jonge twijgen zwichten. Hun sap roept tot ons vanaf de aarde.
Aanvankelijk leek het een goed idee om Grevingh uit zijn huis te lokken, maar ik begin nu te twijfelen. Wat als we in de borg niets vinden dat mijn vermoedens ondersteunt? Of erger nog, als Grevingh ons betrapt?
De wind ontmoedigt ons met oeroude bezweringen; boomwortels verzetten zich onhandig; in de verte klinkt een opstandig wroeten. Is hun oordeel al geveld? Of aarzelen ze nog? Beseffen ze dat Grevinghs aanspraken op deze grond even betwistbaar zijn als de wraakzucht die ons drijft?
‘We moeten opschieten’, roept Lammert zachtjes, ‘het loopt al tegen elven.’
Vreemd, vijf weken geleden noemde ik hem nog “de brandweerman”; vandaag sluipen we achter elkaar aan als trouwe broers. ‘Wat vind jij nu eigenlijk van die Grevingh?’, vroeg hij me destijds. ‘Die ploert heeft de commandant een brief gestuurd waarin hij schrijft dat de oefeningen op zijn terrein vanaf heden verboden zijn voor de militie die Lammert Brongers – ik dus – leidt. Mi-li-tie, dat was het woord dat hij gebruikte.’ Door Lammert weet ik vrij zeker dat Grevingh een militaire achtergrond heeft. Spoedig zullen we meer weten. Er moeten sporen te vinden zijn. Een uniform. Een insigne, wat dan ook.
Opeens staan we aan de rand van het woud. Eindelijk. Nog geen tweehonderd meter voor ons ligt de borg van Grevingh.
‘Zie je die notenboom?’, fluistert Lammert. ‘Daar moeten we zijn.’
We sluipen behoedzaam de verwilderde boomgaard door. Bij de notenboom houden we halt. Terwijl ik het petroleumblik omklem, wrikt Lammert het deksel los. Als die na enkele pogingen met een schok losschiet, gutst de petroleum over mijn linkermouw. Lammert dompelt de fakkel in het blik. Ik ontsteek een Zweedse lucifer. En zie: er is licht.
De fakkel schenkt ons zicht, maar verschrompelt onze wereld tevens tot een zwak en grillig schijnsel, omringd door de ondoordringbare muren van de nacht. Schaduwgestalten doemen op. Hun bevende vingers strekken zich naar ons uit. Vliegende insecten offeren zichzelf aan de afgod van vuur die wij in hun midden hebben opgericht. Hun verschroeide vleugelpracht doet onze schuldenlast nog verder stijgen.
Het schijnsel van de fakkel kruipt over de mossige grond. We speuren naar het kelderluik. Dit is de plek waar ik de borg binnen zal dringen. Althans, zodra Grevingh naar buiten is gelokt door Lammerts vlammenkunst.
‘Daar.’
Het licht glijdt over de donkere kaken van het kelderluik, gemuilkorfd door twee roestige grendels. We hurken neer. Ik houd de fakkel vast. Lammert haalt een houten hamer uit zijn tas. De torenklok zal het geluid van de hamer overstemmen. Hopen we. Elf klokslagen, met een interval van telkens drie tellen. We wachten.
Lammert stoot me aan: ‘Het is zover.’
En inderdaad, niet lang daarna weerklinkt de koperen galm van de torenklok, direct gevolgd door een doffe hamerslag. Tot zes keer toe laat Lammert de hamer neerkomen. Dan schiet de eerste grendel eindelijk los. De echo’s van de torenklok sterven langzaam weg. We luisteren gespannen. De borg zwijgt. Er is geen menselijk geluid te horen.
Ik morrel aan het kelderluik. Er is nog geen beweging in te krijgen.
‘Wat doen we nu?’
‘Schijn eens bij?’
Ik haal de fakkel naar me toe, maar vergeet dat er nog steeds petroleum uit mijn jas druppelt.
‘Kijk uit!’
Het licht barst open. Ik laat de fakkel vallen. En dan zijn er opeens twee lichtbronnen van vuur. De ene heeft zich vastgekleefd aan de droge laag bladeren onder ons, de ander danst op mijn onderarm. Lammert schuift de nog niet ontvlamde bladeren aan de kant, legt de zwarte aarde bloot. Hij isoleert de vuurgod, bezweert zijn macht.
‘Doe iets,’ roept hij naar mij.
En dan dringt opeens tot me door dat ik zelf de bron ben van het tweede licht, dat ook ik het vuur tot brandstof dien. Ik spring op en begin met mijn arm te zwaaien: ‘Verdomme.’ Ik ren de boomgaard door, langs het achterhuis, voorbij de voorkamers, totdat een hand me tot stoppen dwingt. Ik word tegen de grond geworpen. Lammert roept iets, maar ik begrijp niet wat hij zegt. En dan is het voorbij. De hitte is gestikt onder de lap waarmee Lammert mijn arm heeft omwikkeld. Ik voel Lammerts vingers als vijandige kogels in mijn brandwonden porren.
‘Het lijkt mee te vallen’, hoor ik Lammert zeggen. ‘Al zal de dokter er wel even naar moeten kijken.’
Opeens ontwaakt de borg. In het bijgebouw roert zich iets. Een raam dat eerder nog donker was, snijdt een geel vlak uit in de tuin. Een diep zwart knapt uiteen in scherpe lijnen. De netten van een ontwaakte nacht.
Een wit gewaad fladdert op.
‘We moeten hier weg.’ Lammert sleurt me mee.
Ik schenk er geen aandacht aan. Het vuur is gedoofd, maar de belegering is nog maar net begonnen. De arm schreeuwt naar me. Giftige enterhaken zetten zich vast in zijn vlees. Een leger van pijn snelt over de touwen naar omhoog, in de richting van mijn schouders. Hun vingers van brandend pek sjorren aan mijn zenuwbanen. Ik knijp in de arm. Verstik de gang van het bloed. Ik sla de arm zo hard mogelijk tegen mijn heupen aan. Niets helpt.
Vanuit de verte dringen er geluiden tot me door. Voor even is er een luwte in het gevecht.
‘Wie is daar?’ vraagt een vrouwenstem.
‘Doe open. We hebben een dokter nodig. Een brandwond.’
‘Meneer Bennink? De brandweer? Mijn man is niet thuis, maar ik zal zien wat ik kan doen. Kom binnen.’
‘Ik laat hem bij u achter. Ik moet zelf nog iets afhandelen.’
‘Maar wat is er gebeurd?’, klinkt de vrouwenstem weer.
‘Dat vertelt Bennink u later wel.’



