Pachtland – 8.2. Bennink aug10

Trefwoord

Overeenkomstig schrijftuig

Pachtland – 8.2. Bennink

Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |

 

Bennink

← 8.1. (vorige hoofdstuk)

Jonge berkentakken reiken begerig naar het rode jurkje van de vluchtende avondzon. Uit hun loof drupt regenvocht. Ik spring op mijn fiets en laat de herberg achter me. Een koude windvlaag bijt zich vast in mijn verhitte gezicht. De fietsketting knarst klagend.
Opnieuw heb ik niets bereikt. Het is zinloos om met de ingenieur een gesprek aan te gaan. Elke diepzinnige gedachte die zijn oor binnendringt, weerkaatst slechts enkele malen tegen de wanden van zijn schedel om vervolgens zijn mond te verlaten als een holle frase. De man is een klankvervormer, meer niet.
En dan dat misplaatste geneuzel over film: ‘Wat dit dorp nodig heeft is een nieuwe montage.’ Als we de ingenieur moeten geloven is menselijke ellende enkel het gevolg van misverstand. ‘Armen en behoeftigen’, oreerde hij, ‘begrijpen niet dat ze slechts personages zijn in een zelfgekozen film.’
Het pad onder mij is hobbelig en uitgesleten. Het is moeilijk te zeggen of het door een mensenhand is aangelegd of zich enkel heeft gevormd naar de gewoontes van mens en dier.
De gewoonte is een interessante categorie. De verdediger van het algemeen belang zoekt in haar een ankerpunt, een wet die de wereld voorspelbaar en leefbaar maakt. De strijder voor de individuele vrijheid ziet in de gewoonte een obstakel dat moet worden vernietigd, opdat de dynamiek van het leven niet stolt tot een statische wetmatigheid. Beide posities zijn onhoudbaar. De gewoonte is ankerpunt noch obstakel, oplossing noch probleem. De gewoonte is dubbelzinnig. Het is zowel de voorwaarde voor het leven als de beknotting ervan. Dit is wat de ingenieur niet begrepen heeft. Hij presenteert zichzelf als een strijder voor de individuele vrijheid die ons – achterlijke dorpelingen – verlost van onze ketens. Het tegenovergestelde is waar. Hij vervangt slechts de gewoontes van het platteland door die van de stad en de industrie. Dit verkleint de dwangmatigheid van de gewoonte niet. Integendeel, de dwang verhevigt, terwijl de mogelijkheid tot verzet afneemt. Het utopisme van de ingenieur is krachteloos, omdat hij de dubbelzinnigheid van de gewoonte niet doorziet. Aan de gewoonte ontsnapt niemand. Het gaat erom welke gewoonte je tot voorwaarde van het leven verkiest.
Uit de berm klinkt de roep van een groep kikkers. Sinds mensenheugenis volharden ze in hun onzalige oefening tot spreken. Hun dogmatiek is simpeler dan die van de ingenieur, zonder er wezenlijk van te verschillen. Ook de ingenieur is nooit verder gekomen dan een oefening. Zijn tong bootst de beweging van woorden na, maar het is een mechanisch proces dat zich slechts afspeelt in de door lippen omsloten echoput van zijn poppenmond.
Vanuit de verte zie ik dat mijn achterdeur op een kier staat. Vreemd, normaal klemt die deur nogal. Als ik dichterbij kom, hoor ik een piepend geluid dat ik eerst niet thuis kan brengen. Dan weet ik het: pa’s schommelstoel. Er moet iemand binnen zijn.
Ik sluip naar het raam. Het piepen stopt. Ik kijk naar binnen. De schommelstoel is leeg.
‘Dus,’ dreunt het achter me, ‘jij wilde Grevinghs tent in de fik steken.’
Ik draai me verschrikt om. De deuropening wordt volledig opgevuld door de grijnzende gestalte van de schoonzoon. Hij slaat zijn arm over mijn schouder alsof we oude vrienden zijn.
Ik probeer me los te rukken.
Dezelfde stem klinkt opnieuw. ‘Niet gelijk weer aftaaien. We gaan eerst even praten.’
De arm drukt zwaar op me. De schoonzoon duwt me naar binnen. Mijn boeken zijn achteloos in een hoek geschopt. Een bord met etensresten ligt in gruzelementen. Enkele papieren waaien op. Het dossier?
‘Sorry, voor de troep’, zegt de schoonzoon, nog steeds grijnzend.
Het piepen van de schommelstoel begint weer en vermengt zich nu met een smakkend geluid.
‘Ik zocht bier. Je brouwt het zelf, zo te zien. Valt me van je mee.’
De openstaande lippen zetten de grijns nog sterker aan. Ze zien er vreemd rozeachtig uit. Alsof ze binnenstebuiten gekeerd zijn. Bruin vocht sijpelt tussen nog bruinere tanden.
‘Dit hier,’ hij wijst naar een bloempot, ‘was de enige pul die ik kon vinden.’
Telkens als de bloempot die bruine tanden raakt, klinkt er een hol geluid dat uit het diepste binnenste van het kolossale lichaam lijkt te komen, alsof de grijns via deze weg nog iets anders, iets onuitgesprokens en geheims tegen me wil zeggen. Iets dat zich niet in taal laat vangen. Nu zie ik het overal. Uit het lichaam spreekt een vreemd ongemak dat ik nog niet eerder bij de schoonzoon heb opgemerkt. Het hele lichaam is een grijns geworden. Deze grijns is zo onnatuurlijk dat ik me er telkens weer van moet vergewissen dat het toch echt Hebe, de schoonzoon, is die voor me zit.
‘Grderwzwakdnr.’
Klanken maken zich los, er vormen zich woorden. Maar mijn gehoor laat het afweten, of misschien is het zijn stem. Ik herhaal de klankenreeks in mijn hoofd, maar kan er geen wijs uit worden. Zijn vragende blik brengt me in verlegenheid. Ik knijp mijn ogen samen. Haal mijn schouders op.
Er flikkert ergernis in zijn ogen. Of is het angst? Wie weet in welke primitieve staat de emoties van deze man verkeren. Zijn lippen openen zich opnieuw.
‘Grevinghs dochter is zwanger. Ik ben uitgediend.’
Ditmaal versta ik hem. Met moeite, dat wel. Er begint me iets te dagen. Voor mij staat een man die zichzelf tot vaderschap veroordeeld heeft. Dat zou zelfs een granieten man tot vertwijfeling brengen. Is dat wat hier aan de hand is? Grijpt het hem zo sterk aan? Zoekt hij iemand die zijn gevoel kan articuleren? Maar wat weet ik van zulke dingen?
‘We moeten Grevingh pakken. Naar jou luisteren ze.’
Wat? Grevingh pakken? Maar dan…
…dan bedoelt hij iets heel anders. Opeens doorzie ik zijn plannen. Maar dat mag niet gebeuren, dat is een kwaadaardige verdraaiing van mijn eigen project.
‘Nee’, hoor ik mijn eigen stem zeggen. ‘Daar kan ik niet mee akkoord gaan.’
De plooien van zijn gezicht verharden zich. De aders in zijn ogen zwellen op.
‘Je vat het niet, Bennink. Ik sta aan jouw kant. We werken samen.’
Ik schud mijn hoofd.
Het roze van zijn lippen verdiept zich tot een scharlaken rood.
‘Je zult wel moeten.’
Hij staat op, beent de kamer door en slaat de deur achter zich dicht. Onderaan klemt de deur onmiddellijk vast, maar van boven trilt die nog enkele tellen na.
Chaos kent zijn eigen dwangmatigheid. En die dwangmatigheid is schadelijker dan die van welke gewoonte dan ook. Hier draagt de chaos een naam: Hebe, de diender die is uitgediend.

(volgende hoofdstuk) 8.3. →

Martijn Boven