Pachtland – 9.3. Bennink
Inhoudsopgave: Toelichting | 1.1. | 1.2. | 1.3. | 1.4. | 2.1. | 2.2. | 2.3. | 2.4. | 3.1. | 3.2.| 3.3. | 3.4. | 4.1. | 4.2. | 4.3. | 4.4. | 5.1. | 5.2. | 5.3. | 5.4. | 6.1. | 6.2. | 6.3. | 6.4. | 7.1. | 7.2. | 7.3. | 7.4. | 8.1. | 8.2. | 8.3. | 8.4. | 9.1. | 9.2. | 9.3. | 9.4. | 10.1. | 10.2. | 10.3. | 10.4. | 11.1. |
Bennink
← 9.2. (vorige hoofdstuk)
Als ik de petroleumlamp ontsteek, verschijnt er op de muur een kleine, zwarte schaduwplek die met grote snelheid heen en weer schiet. Morsecodes van een gevangen vlieg. In het cilindervormige glas van de lamp bonkt zijn geschroeide lijfje telkens weer tegen de onzichtbare wanden die zijn kleine wereld begrenzen. Smeltende vleugels zetten zijn onherroepelijke val in gang.
Net buiten de lichtkring steekt een wit vlak scherp af tegen de modderige mat. Een envelop. In de rechter bovenhoek staat met hoekige drukletters: HET MINISTERIE VAN WATERSTAAT. Wat zouden die van me willen? Iemand heeft er in een heupwiegend kriebelschrift iets op geschreven:
Bennink, het bijgevoegde afschrift heb ik in handen gekregen via een vriend uit Oost-Indië. Ik stuur het je als aanvulling op je archief. Je toegenegen dienaar, Johannes Roggeveen.
Aha. De ingenieur. Zijn ‘toegenegen dienaar’ klinkt nogal ironisch, maar je weet het nooit met hem. Er staat nog iets onder geklad:
P.s. let vooral op de onderstreepte passage.
De rand van de envelop lijkt met de mond te zijn bevochtigd om de uiteinden tot kleven te dwingen. Kennelijk beschouwt de ingenieur het als een roeping om zijn lichaamsvocht te verspreiden. Bepaald degoutant.
In de envelop zit een brief. De afzender is een zekere majoor Reinders. Wacht eens. Dat moet de oude Reinders zijn die onlangs overleden is. Kortgeleden stond er een necrologie in de krant. Niets dan lovende woorden over onze militaire ‘held’. Sicco Reinders kwam er op school mee aanzetten. Hij is trots op zijn familie van potentaten en vrekken die de streek niets dan goeds heeft gebracht. En nu een brief uit hun roemruchte verleden. Toen ze nog oppermachtig waren in de hele streek. Zelfs in Finsterveen. Ik strijk het papier glad en begin te lezen.
Poeloe Raja, 10 november 1893Hooggeachte heer Struijcken,
Jongstleden ontving ik van uw advocatenkantoor een schrijven waarin ik valselijk word beschuldigd van oneerbare handelingen. U claimt een cliënt te vertegenwoordigen – een inferieur wezen van vrouwelijke kunne – dat over ‘levende bewijzen’ zou beschikken aangaande mijn meerdaagse afwezigheid tijdens het vergeefse offensief tegen Kaloet.Deze aantijging is ongefundeerd en een belediging voor het bevoegd gezag. Wij, als hooggeplaatste officieren van de KNIL, hebben ons altijd bekommerd om het lot van de inlanders en hebben er oprecht naar gestreefd om deze deerniswekkende schepsels te verlossen uit hun door eigen schuld verkregen onmondigheid. Dat u de euvele moed heeft een majoor van onbesproken gedrag aan te klagen uit naam van dit ondankbare en leugenachtige gebroed, is daarom beslist onthutsend te noemen. Ware u een militair geweest dan zou ik genoegdoening eisen in de vorm van een duel op het pistool, maar gezien uw burgerstatus zal ik mij op een andere wijze tevreden moeten stellen.Hoewel ik grote achting heb voor uw professie, moet ik constateren dat u zich minstens zo incompetent hebt betoond als het handelingsonbekwame canaille waarover u – evengoed als ik – bent aangesteld als voogd. Navorsing zou onmiddellijk hebben uitgewezen dat ik een jaar geleden, enkele maanden voor mijn benoeming tot majoor, reeds van elke blaam ben gezuiverd inzake de kwestie die u zo schaamteloos uit de vergetelheid hebt opgediept. Een uitgebreid verslag van het militaire onderzoek naar deze gebeurtenissen had u kunnen vinden in de archieven van het hoofdkwartier van de Adjudant Generaal te Batavia. In de bijgevoegde processtukken bevindt zich ook het getuigenis van mijn ordonnans, soldaat der tweede klasse Theodorus Grevingh…
Grevingh? Dan had Lammert dus gelijk, Grevingh is soldaat geweest. In de Oost. Stel je voor, Grevingh als onderdanige ordonnans. Het hulpje van een hooghartige officier. En niet zomaar een officier. Nee, dezelfde Majoor Reinders wiens dochter hij later zou trouwen. Er klopt hier iets niet. In het dorp heeft men altijd aangenomen dat Grevingh uit een vermogend geslacht afkomstig is. Als dat zo is, zou hij nooit genoegen hebben genomen met een eenvoudig baantje. Maar hoe is hij dan aan zijn rijkdom gekomen? Als ordonnans kan hij nooit meer dan een paar grijpstuivers verdiend hebben. Dat is nauwelijks genoeg om de terugtocht naar Nederland te betalen, laat staan om de landerijen van zeven herenboeren op te kopen. Grevingh moet het geld op de een of andere manier van Reinders hebben afgetroggeld. Maar hoe? Grevinghs heimelijke huwelijk met de dochter van Reinders kan niets hebben opgeleverd. Toen bleek dat ze zich door Grevingh had laten schaken, heeft Reinders haar immers onterfd. Bovendien, lijkt Reinders me niet iemand die zich laat intimideren door een parvenu zonder rang of stand. Misschien verschaft de rest van de brief opheldering.
In de bijgevoegde processtukken bevindt zich ook het getuigenis van mijn ordonnans, soldaat der tweede klasse Theodorus Grevingh, waarin hij mijn verklaring onder ede heeft bevestigd. Raadpleging van deze papieren zou u hebben geleerd dat mijn ordonnans en ik tijdens de bestorming van de Kaloet achter de vijandelijk linies zijn terechtgekomen. Doordat ik ernstige verwondingen had opgelopen en nauwelijks kon bewegen, hebben we ons drie dagen schuil moeten houden in vijandig gebied voor we naar onze post in Kota Radja terug konden keren. De valse geruchten dat ik deze drie dagen op een andere wijze zou hebben doorgebracht, zijn volledig terug te voeren op een warrige verklaring van een – onderhand gecrepeerde – koelie uit het gevolg van kapitein Graafland (een bekend criticaster van mijn methodes). Mocht u na het raadplegen van het genoemde onderzoek nog steeds niet overtuigd zijn van de dwaasheid van uw aanklacht en de onbetrouwbaarheid van uw cliënt, dan vrees ik maatregelen te moeten treffen die u beslist niet zullen bevallen. Gaarne hoor ik per ommegaande dat u de zaak verder laat rusten.
In de overtuiging u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben verblijf ik,
Hoogachtend,
Majoor G.W.J.H. ReindersCommandant van het 3e Bataljon InfanterieMomenteel gelegerd in het militaire kampement van Poeloe Raja
De lamp flakkert. De olie is bijna op. Er moet iets gebeurd zijn tijdens die driedaagse tocht door de rimboe. Voor mijn geestesoog zie ik ze lopen. Voorop de jonge kop van de ordonnans. Zijn klewang doet de rimboe wijken. Voor even. Daarachter het oudere, besmeurde gezicht van de officier, wit weggetrokken van bloedverlies. De man wankelt en zakt ineen. Het geluid van de klewang herhaalt zich nog enkele malen. Stopt. Keert terug. Uit het groen duikt de brede gestalte van de ordonnans op. Hij kruist zijn armen. ‘Denk maar niet dat ik je ga dragen.’ Zijn grijns verraadt minachting. ‘Ik ben geen koelie.’ De officier probeert zich op te richten, maar de ordonnans duwt hem weer naar beneden. ‘Hoeveel is het leven je waard?’
Nee, zo kan het niet gegaan zijn. Het zou Grevingh de kop gekost hebben. In de Oost zijn ze voor minder gefusilleerd. Bovendien verklaart het niet waarom Grevingh naar Finsterveen is gekomen. Er zit meer achter. Maar wat?
Zou die advocaat nog in leven zijn? Misschien kan hij helderheid scheppen. Zou hij zijn zaak hebben doorgezet? Het is beslist niet ondenkbaar. Immers, alles wijst erop dat Reinders niet lang na deze brief de actieve dienst heeft verlaten. Zou hij tot ontslag zijn gedwongen? Of is het gewoon toeval en heeft die zaak van die advocaat er niets mee te maken?
De lamp gloeit enkel nog, zuigt op zijn laatste druppels olie.



