Wat ben ik? De belichaming van een gedachte? Misschien een hitte zoekend projectiel die, eenmaal afgeschoten, onverbiddelijk op z’n doel afgaat. In mij woont een vaag gevoel van geldingsdrang, oneindig verdund als een homeopathisch middel tegen de eeuwigheid. Menselijke, al te menselijke eigenschappen. Ondanks mijn onsterfelijkheid weet ook ik wat het is om van een moment te genieten. Dit is zo’n moment. Mijn oogleden openen zich als rolluiken en ik zie haar vanuit mijn opgeruimde schedel
Pension Pygmalion
door Piet Devos
30 september. In dit oord kun je je pas echt een balling wanen! Natuurlijk zocht ik de nodige afzondering om eindelijk die memoires te schrijven; alleen schijn ik nog beter in mijn opzet te zijn geslaagd dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. Nadat we de laatste buitenwijken van de stad gepasseerd waren, hebben we wel drie kwartier stug doorgereden zonder ook maar een sterveling tegen te komen. Aan weerszijden van de landweg waar we al spoedig overheen denderden niets dan dorre vlaktes, met slechts hier en daar wat vergeeld struikgewas of een groepje huizen die de indruk wekten sinds lang onbewoond te zijn. De taxichauffeur moet mijn verbazing over deze onafzienbare woestenij hebben bemerkt, want plots doemde zijn spichtige vossengrijns op in het achteruitkijkspiegeltje: "Ja, meneer, geen mens die het hier erg lang uithoudt!" In de snel invallende schemering rees voor ons ten slotte een donkere massa op. Wat me eerst een bos had toegeschenen, bleek meer weg te hebben van een ruig park met hoge sparren, waartussen een oprijlaan slingerend een flauwe helling op voerde. In het schijnsel van de koplampen zag ik af en toe vage schimmen tussen de bomen voorbijflitsen; kleine rotsformaties, meende ik, maar toen er plots eentje vlakbij in een bocht stond, zag ik dat het een menselijke gedaante voorstelde, een naakte vrouw nog wel in een verwrongen extatische houding. Het is bijna te gênant voor woorden, maar onmiddellijk voelde ik een erectie opkomen, iets wat me al in tijden niet meer is gebeurd... "Mevrouw is beeldhouwster", verduidelijkte de vossenkop koeltjes. Kort daarna bereikten we het erf van een statig landhuis boven op de heuvel, waar mijn voerman ogenblikkelijk zijn wagen keerde. Hij gunde me amper de tijd om hem wat muntstukken toe te stoppen – veel te weinig volgens mij - alvorens de heuvel weer af te stuiven. Vreemd genoeg was mijn gierende aankomst onopgemerkt gebleven. Hoewel de zware voordeur niet op slot zat, werd ook binnen niet op mijn herhaalde roepen gereageerd. Toch werd ik verwacht, aangezien ik in de eetkamer een eenvoudige broodmaaltijd aantrof en een briefje met daarop mijn naam en het kamernummer.
Metropolis X – 1.1. Opstand der Barbaren
door Bram Esser
We schrijven 1 juni 1854, pension La Cravache, vroeg in de ochtend. Iets tikt tegen de kamerdeur, maar Cornelis Borgman weet direct wat het is. Het zijn morsecodes van Madame Bernard dat hij op moet staan. Ze houdt er niet van als op woensdag haar gasten, inclusief de permanente bewoners, in het pension blijven. Woensdag is schoonmaakdag en dan heeft Madame het liefst dat haar gasten pas tegen de avond weer terugkomen. Borgman komt kreunend overeind.
Caïssa. Een zwart-witverhaal
door Piet Devos
Deze schaakpartij, tijdens de avondlijke treinreis van de kust naar het binnenland, heeft iets van een dans, een ritueel dat we schijnbaar mechanisch uitvoeren. Ik weet niet welke hogere macht we er gunstig mee proberen te stemmen - is het de allengs verdwenen onbevangenheid, de herinnering aan ons eigen verleden of gewoonweg de schaakgodin Caïssa? -, maar terwijl zij praat en ik luister, blijven onze handen met regelmatige tussenpozen de kleine, magnetische stukken verplaatsen. Na al die jaren is haar Nederlands zonder meer vlekkeloos te noemen. Toch sluimert misschien ergens in ons het vermoeden dat die taal van zwart-witte geometrie, die we allebei tot in de finesses beheersen, de meeste kans op onderling begrip biedt.
Yorick, een held van onze tijd
door Petrus Spasmati
Dit is een klein dorp. En zoals alle kleine plaatsjes heeft het iets weg van een muziekdoos die zijn toneelstukje begint af te draaien zodra er een vreemde binnenkomt. Verwonder u dus niet, vreemdeling, over wat u te zien krijgt als u hier binnentreedt. Het is het bekende liedje en veel van hetzelfde. Het dorp kent verschillende bonte personages die u allen kunt ontmoeten. Kom dus binnen, aarzel niet. U bent welkom zoals elke vreemdeling welkom is in kleine plaatsjes. Het kost u niets. De toegangskaartjes die ik nu voor u zal knippen, zijn alleen maar voor de grap. Een attractie laat u zich toch niet ontgaan? Tot lering en vermaak. Van...
Maalstroom
door Bram Esser
Wij zijn Ithamar en Jalaa Lipschitz. We wonen in een kleine joods-orthodoxe buurt ergens in de stad. Waar precies ten opzichte van het centrum durven we niet te zeggen. In het centrum zijn we nog nooit geweest. ‘Onze plek is aan de rand van de samenleving’, zegt vader altijd. Hij zegt dit steeds vaker. Soms met de toevoeging: ‘Dat is al eeuwen zo en zal altijd zo blijven.’ ‘Vader is niet langer zichzelf,’ zegt moeder. Dat zien wij ook. Vader gaat er zichtbaar onder gebukt dat hij zichzelf niet is. Zijn bescheiden maar gewaardeerde positie in de gemeenschap is hij kwijtgeraakt. Hij werkte in een fotowinkel en overhandigde mensen...
Johan
door Martijn Boven
‘Weet je wie ik daarnet zag?’ zei Rineke. ‘Jantina! Zoiets geloof je toch niet. Dat die haar gezicht hier durft laten zien. Denkt ze soms dat we alles vergeten zijn? Nou dat heeft ze mooi mis. Die krijgt van mij geen hand.’ Johan telde de blauwe jassen die aan de kapstok hingen. Zestien. Een hoge score. Johan hield van blauw. Blauw was altijd mooi. ‘Onbestaanbaar,’ zei Alie, ‘en dan die begrafenisondernemer, die Wiskerke.’ ‘Mama,’ zei Margje, ‘kom even mee.’ Johan zag ook een witte jas. Maar die telde niet, want daar zat Margje in. Alleen lege jassen telden. ‘Margje,’ zei Rineke, ‘even wachten, ik ben nu in...
In de menigte
door Gilles Debris
Een menigte is een hoeveelheid mensen zonder vast getal. Ik word al jaren omringd door een menigte, zoveel is mij duidelijk. Maar wat er precies door die menigte omringd wordt, daarover bestaat bij mij nog onduidelijkheid. Als ik naar mezelf kijk, zie ik iemand die in de menigte een droom...
De ontmoeting
door Piet Devos
Vreemd dat jouw woordeloze verschijning voor mij louter in taal herrijzen kan. Een taal die puntig onder mijn vingertoppen moet groeien, dezelfde vingertoppen waarin de herinnering woekert aan de holte van je elleboog, de zachte belofte van je kleine oorschelp schuilgaand achter zonverhitte haren. Geen stem, die me citaten had kunnen schenken, die mijn interpretatie van het voorval aanzienlijk had kunnen vergemakkelijken. En toch, dat geef ik toe, was het anderzijds precies dat onverbreekbare zwijgen waaruit het ongehoorde van onze ontmoeting sprak. Het behoedde ons voor opgebruikte zinsneden over de mooie nazomer. Die hadden we ook niet...
De nieuwe huurder
door Gilles Debris
Een huis is een bekrompen ruimte die begint en eindigt met muren. In veel steden zijn veel van dergelijke ruimten bij elkaar gekropen en hebben zich verenigd tot verdiepingen en rijen. In een dergelijke verzameling van ruimten woonde ik op de zevende verdieping. Het opvallende van het...
Ten aanvang
door Petrus Spasmati
In het heimelijke der aardkloot groeit het kruipend Vocht al voller. Het slokt en sleurt het hart uit de aarde. Al loerend naar een vergeten schimmel die daar huist. Die schimmel is de laatste en de eerste, de droom en de dromer, de dans en de danser. Ja, hij is het die zich daar al jaren ophoudt en al die tijd volhardt in zijn zinloze bijzijn. Er is voor hem geen uitvlucht. Voor wat hij doet is nergens grond. Aldaar een vlerk die, de schimmel toebehorend, met bevende rimpels op de muren kladdert. Steeds dezelfde woorden. Steeds dezelfde. Niemand bevroedt waarom die schimmel dat uitvreet. Niemand die zich daarover opkookt. Alleen het Vocht...