Johan

‘Weet je wie ik daarnet zag?’ zei Rineke. ‘Jantina! Zoiets geloof je toch niet. Dat die haar gezicht hier durft laten zien. Denkt ze soms dat we alles vergeten zijn? Nou dat heeft ze mooi mis. Die krijgt van mij geen hand.’
Johan telde de blauwe jassen die aan de kapstok hingen. Zestien. Een hoge score. Johan hield van blauw. Blauw was altijd mooi.
‘Onbestaanbaar,’ zei Alie, ‘en dan die begrafenisondernemer, die Wiskerke.’
‘Mama,’ zei Margje, ‘kom even mee.’
Johan zag ook een witte jas. Maar die telde niet, want daar zat Margje in. Alleen lege jassen telden.
‘Margje,’ zei Rineke, ‘even wachten, ik ben nu in gesprek.’
De blauwe jas waar papa altijd in zat, zag Johan niet. Dat kon ook niet, want papa was weg. Papa had zijn laatste pijp geblazen. Die pijp ging mee het gat in, dat sprak. Als Johan naar de gevulde gaten keek, dan zag hij soms kleine rookwolkjes omhoog kringelen. Er lagen er meer met een pijp. Solide lui, die pijprokers.
‘Die Wiskerkes,’ zei Alie, ‘maken het echt te bont. Moet je kijken hoe versleten het linoleum hier is. Dit uitvaartcentrum wordt al jaren niet meer opgeknapt. En hun manieren zijn ronduit familiair. Om nog maar niet te spreken over dat korte gele jasje dat hij draagt. Dat geeft geen pas, niet voor iemand in zijn functie.’
‘En zijn werk doet hij ook niet. Heb je niet geroken hoe het er met papa voor stond. De aarde had hem al tot zich genomen, nog voor hij erin lag. Compost was het, meer niet.’
‘Mama,’ zei Margje, ‘ik heb je echt even nodig.’
‘Ik kom zo lieverd.’
Johan telde maar één gouden jas. Die was van Jantina. Die liep er altijd bezopen bij. Jantina dacht dat exuberant hetzelfde was als exquis. Johan had het Rineke vaak genoeg horen zeggen.
‘Papa zou daar heus reuze schik in hebben,’ zei Alie, ‘maar voor mama moet dat een hard gelag zijn. Een waardig afscheid, ho maar.’
‘Ze heeft het zelf laten gebeuren. Bij de begrafenis van oom Reindert misdroeg die Wiskerke zich ook al zo. Ik heb gezegd dat ik hem niet weer wilde, maar mama hield voet bij stuk. Volgens haar hoort het zo.’
Paarse jassen kon Johan niet vinden. Het tafelkleed was wel paars.
‘Ach ja, je weet hoe mama is. Papa heeft jarenlang samengewerkt met zijn vader: de oude Wiskerke.’
‘Mama, toe nou,’ riep Margje. ‘Je moet echt even mee. Naar het toilet.’
‘Je hebt mij daar toch niet bij nodig? Ga zelf even.’
‘Jawel, je weet best waarom.’
‘O ja. Goed dan, ik kom.’ Tegen Alie: ‘Je weet hoe onzeker ze zijn op die leeftijd.’
‘O God, begint dat nu al? Ik loop wel even mee. Kom Johan.’
Rineke had een rode jas, een mooie. Maar ook die telde niet, want daar zat ze in. Margje zat nu niet meer in haar jas. Haar jas lag bovenop de handdoekenmachine.
‘Die Wiskerkes parasiteren al decennialang op de goedheid van papa en mama. Ik heb nooit begrepen hoe ze dat over hun kant konden laten gaan. Het halve dorp laat zich bij hen begraven, alleen om onze ouders een plezier te doen.’
‘Ondertussen klaagt het hele dorp over die Wiskerkes. Dat schaadt onze reputatie. Normaal zou mama dat onmiddelijk in de kiem smoren.’
‘Kennelijk was die oude Wiskerke echt onmisbaar voor papa. Mama zou zulke gedrag van geen enkel ander gepikt hebben.’
‘Een ding weet ik zeker. Als mama het loodje legt kan ze het mooi vergeten dat we hen weer inschakelen.’ Tegen Margje: ‘Denk eraan, drie velletjes en niet tot een prop.’
Wat ook rood was, was het bloed. Johan zag het bij Margje. Het drupte uit haar. Op de wc-bril zat het ook. Margje was nog maar een half mens. Halve mensen waren aardig, maar ook gevaarlijk.
‘Johan niet gluren,’ zei Alie. Johan kreeg een tik. ‘Mama heeft haar begrafenis vast al helemaal op papier staan, afwijkingen zijn niet toegestaan. Dat is haar ten voeten uit.’
Johan zag dat er een deuk in de handdoekenmachine zat. Hij liep ernaartoe en betastte de deuk. Het was een diepe deuk. Een deuk die je moest voelen. Anders kon je hem niet goed zien. Johan had verstand van deuken. Hij had er zelf ook een. Hij mocht er niet aan krabben van moesje. Zelfs niet als de jeuk kwam.
‘O ja, vast. En aan de erfenis zullen ook wel allerlei mitsen en maren vastzitten.’
‘Jantina zit erop te azen. Ik voel het aan mijn water. Dat is de reden dat ze bij mama loopt te slijmen. En het lukt haar ook, dat geef ik je op een briefje.’
‘Mama heeft het haar heus niet vergeven,’ zei Alie.
Het water stormde. Margje. Die was klaar.
‘Misschien niet, maar je weet hoe ze is. Jantina wist vroeger al hoe ze mama moest bespelen.’
‘Maar mama zal haar eigen dochters toch niet achterstellen bij een aangenomen kind?’
Margje trok aan de handdoek in de machine. De machine brulde, maar deed toch wat Margje wilde. Een deuk was geen excuus. Machines waren geen mensen, maar leken er wel op. Ze schreeuwden ook als ze pijn hadden. En soms wilden ze niet meer.
‘Ik zou daar niet te zeker van zijn,’ zei Rineke, ‘met mama weet je het maar nooit.’
‘Ik vind dat toch moeilijk te begrijpen. Jantina heeft het altijd zo proberen te draaien dat het de schuld van papa en mama is. Alsof ze er niet zelf met die Paardekooper vandoor is gegaan.’
De deur ging open en dicht. Er was nog een andere gang. Johan kon niet zien of daar ook een kapstok was. Een gele jas liep er naartoe. Margjes jas ging precies de andere kant op. Haar jas bleef niet staan. De andere jassen bleven nu wel staan.
‘Margje, wacht even,’ riep Rineke. ‘Je gaat nu naar oma’s huis, zoals afgesproken?’
‘Ja.’
‘Zorg dat papa niet vergeet de taart te ontdooien.’
‘Doe ik. Dag tante Alie, dag Johan.’
Johan telde zeven groene jassen. Een daarvan was van de kapstok gevallen. Telde die mee? Of toch niet?
‘Dag Margje,’ zei Alie, ‘tot straks.’
Jassen op de grond telden niet mee, besloot Johan. Dat waren geen jassen, maar lappen.
‘Vergeet niet,’ ging Rineke verder, ‘dat Jantina toen nog minderjarig was. Dat heeft Mama altijd dwarsgezeten.’
‘Misschien, maar die Paardekooper was toen al over de veertig. Die had met zijn tengels van Jantina af moeten blijven. De smeerlap. Hij zat fout. Papa en mama niet. Wat konden die eraan doen?’
‘Toch moet mama het er moeilijk mee hebben gehad. Als stiefmoeder ga je toch gauw denken dat het aan jou ligt.’
‘Ja,’ zei Alie, ‘daar zit wat in. Misschien is dat de reden dat ze zich zo verantwoordelijk voor Jantina voelde. Nog steeds trouwens. Mama vertelde me laatst dat ze ernaar streeft om haar minstens een keer per maand te bellen. Soms neemt Jantina op, soms niet. Nukken heeft ze dus nog steeds.’
Johan zag opeens dat er een gat zat in de jas waar Rineke in zat. Een klein gat. Maar toch. Als er gaten in zitten gooien we het weg. Jassen evengoed als sokken en broeken.
‘Echt waar? Dat heeft mama me nooit verteld. Je vraagt je af wat ze allemaal te bespreken hebben.’
‘Dat was ook het eerste wat mij door het hoofd schoot. Ik heb het haar gevraagd natuurlijk. Weet je wat ze zei?’
‘Nou?’
‘Ze zei: we hebben het vooral over Johan.’
Johan hield niet van sokken. Als hij thuis was trok hij zich eerst uit zijn sokken. De sokken hielden alles op afstand. In een sok voelde je niets. In een jas ook niet, maar dat was anders. Een jas was alleen voor buiten.
‘Over Johan? Hoezo dat dan?’
‘Ja, gek hè, maar dat is wat ze zei. Meer wilde ze er niet over loslaten.’
Johan had al een tijdje geen nieuwe jassen meer gezien. Hij zag nu wel een bekende jas. Een zwarte. De meneer die erin zat, kwam steeds dichterbij. Johan kon hem bijna aanraken. De meneer was te klein voor de jas. Er zaten glimmende knopen aan, het leken net snoepjes.
‘Kan ik u even spreken,’ vroeg de meneer in de zwarte jas aan Alie.
‘Dat hangt ervan af,’ zei Alie. ‘Waar gaat het over?’
‘Over uw zus.’
‘Jantina?’
‘Ja. Jantina.’
‘Dat is onze halfzus,’ zei Rineke.
Johan zag nu pas dat de gouden jas er niet meer hing.
‘Ja, inderdaad uw halfzus. Van u beiden, begrijp ik?’
‘Wij zijn zussen, ja,’ zei Alie. ‘Echte zussen.’
‘Goed dat ik u beiden tref.’
Er zat iemand in de gouden jas. Dat moest wel. Maar wie? Jantina?
‘En u bent?’
‘Een vriend van uw zus. Pardon, uw halfzus.’
‘Een vriend?’
‘Ja. Verbaast u dat? Uw familie schijnt zich nooit erg bekommerd te hebben om wat er gebeurd is.’
‘Wat er gebeurd is?’ zei Rineke.
Johan telde de groene jassen nog een keer. Hij telde er zeven. De jas op de grond was opgehangen. Die telde weer mee.
‘Ik weet niet wat u van ons wilt,’ zei Alie, ‘maar dit lijkt me niet het gepaste moment om de problemen van Jantina op te rakelen. Ik verzoek u vriendelijk om ons alleen te laten met ons verdriet.’
‘Dat zal niet gaan helaas. Dit is belangrijk. Jantina heeft uw hulp nodig.’
‘Wij zijn daar niet in geïnteresseerd. Het is fijn voor haar dat u haar vriend wilt zijn. Maar ons gaat dat niet aan.’
Johan wilde roze jassen tellen, maar zag er geen. Biggetjesroze was voor meisjes. Een jongen droeg zoiets niet. Johan hield van roze. Hij wilde geen jongen zijn.
‘Ik vraag u enkel om uw begrip. Het is voor uw zus…’
‘Halfzus,’ zei Rineke.
‘…pardon, voor uw halfzus niet makkelijk om hier te zijn. Het maakt onderdeel uit van haar herstel, maar we moeten de dingen niet forceren. Het blijft haar vader. Jantina heeft nooit aangifte willen doen, zelfs niet nadat we harde bewijzen in handen kregen. Dat bemoeilijkt de zaak.’
‘Ik verzoek u om enig respect te betrachten,’ zei Rineke. ‘Dat is onze vader waar u over spreekt en we hebben hem zojuist begraven. U kunt beter gaan. En we zouden het op prijs stellen als u Jantina hier ook weghaalt. Haar leugens hebben al genoeg schade aangericht.’
Johan zag goud glinsteren. Het was geen jas, maar een handtasje. Jantina zat er aan vast. Zij besloop mensen wel vaker. Dat had ze als klein kind al gedaan. Het gaf blijk van haar gebrek aan fatsoen en goede smaak.
‘Het zijn geen leugens!’ riep Jantina.
Johan zag het goud nu bij Rineke.‘Mijn God,’ zei Alie. ‘Wat doe je nou weer!’
Op de jas van Rineke zat een vieze veeg. De jas van Rinkeke telde nu twee keer niet mee. Er zat iemand in. En hij was vies.
‘Jantina!’ zei de zwarte jas waarin de meneer zat. ‘Dit lost niets op.’
Er kwamen nieuwe jassen aangelopen. Moesje was er nu ook. Ze zat in een lange jas.
‘Wat is hier in godsnaam gaande?’ zei moesje.
‘Jantina heeft Rineke geslagen,’ zei Alie. ‘Met haar handtasje.’
‘Schamen jullie je niet,’ zei moesje. ‘Wat moeten de mensen wel niet denken.’
Johan gluurde onder moesjes jas door en zag een roze jas. De jas liep weg. Johan wilde niet dat de jas wegliep. Johan wilde de jas hebben.
‘Johan, waar ga je heen?’
‘Heb je nu je zin, Jantina,’ zei Alie. ‘Johan is helemaal van slag. En mama ook.’
Johan zag de roze jas niet meer. Hij zag nu wel de lange jas. Een hand greep hem bij de polsen.
‘Kom maar Johan,’ zei moesje, ‘Je zus bedoelt het niet zo kwaad. Ze is gewoon overstuur.’
Johan wilde niet mee. Hij zocht die roze jas. Maar de hand sleepte hem mee terug naar de gouden jas van Jantina.
‘Ik begrijp niet waarom je het niet gewoon laat rusten, Jantina,’ zei Alie. ‘Het verleden is geweest. Waarom zouden we ons daar vandaag nog over opwinden?’
‘Zo denk ik er ook over,’ zei moesje.
‘Ik weet dat het niet mijn zaak is, maar…’ zei de meneer met de zwarte jas.
Johan zag nu dat de jas eigenlijk niet zwart maar heel donkerblauw was. Dat veranderde de zaak. Donkerblauw was ook blauw. En dus mooi.
‘Het is inderdaad uw zaak niet,’ zei Rineke, ‘dus houdt u zich erbuiten. En gun ons alstublieft wat privacy.’
‘Schat,’ zei Jantina, ‘dit kun jij niet voor me oplossen. Ik moet het zelf afhandelen. Misschien kun jij de auto vast ophalen?’
‘Al goed. Maar laat je niet teveel gaan.’
De zwarte jas die eigenlijk blauw was, liep weg.
‘Schat?’ fluisterde Rineke, ‘dus je valt nog steeds op oudere mannen.’
‘Rineke!’ riep moesje.
‘Hij is de enige persoon die ik echt vertrouw,’ zei Jantina. ‘En verder wil er geen woord aan vuilmaken.’
‘Flauw hoor.’
‘Jullie doen nou wel net alsof alles een grapje is, maar ondertussen hebben jullie geen benul wat hier allemaal speelt. Mama heeft het jullie nooit durven vertellen. Ik wed dat ze het nog steeds niet durft. Of wel soms?’
Johan zag in de verte de roze jas. Hij wilde die roze jas nog steeds hebben, maar hij kon niet weg. De hand hield hem nog steeds vast. De zwarte jas die eigenlijk donkerblauw was, zag hij niet meer.
‘Jantina,’ zei moesje, ‘we hebben dit uitvoerig besproken. Ik wil er best met je over praten, maar niet waar iedereen bij is. Dit is iets tussen jou, je overleden vader en mij. Verder gaat het niemand wat aan.’
‘Hoezo?’ zei Rineke. ‘Als het jullie drieën wat aangaat dan is het voor ons toch zeker ook van belang?’
‘Is het nou afgelopen!’ zei moesje. ‘Papa ligt nog geen uur in het graf of jullie gooien zijn reputatie al te grabbel.’
‘Dat is niet waar,’ zei Alie, ‘we verdedigen hem juist tegen de lasterpraat van Jantina.’
Johan zag een hondje. Dat zat ook in een jas. Met ruiten. Een bespottelijke vertoning. Dieren zijn geen mensen. Behalve paarden. Dat zijn wel mensen. Soms zitten zij ook in een jas.
‘Het is geen lasterpraat,’ zei Jantina. ‘Echt niet. Ik heb het vaak genoeg proberen te vertellen, maar jullie wilden het nooit horen. En van mama mocht ik er niets over zeggen. Geen kwaad woord over papa.’
‘Als je het maar uit je hoofd laat om het ze te vertellen, Jantina.’
‘Nee, mama,’ zei Jantina, ‘we kunnen het niet langer verzwijgen. Ze hebben het recht om het te weten.’
Er hingen haast geen jassen meer aan de kapstok. Johan telde er nog maar vijf. Een blauwe zat er niet tussen. Wel een grijze. Grijs is de kleur van neergedaald stof. Grijs hoort bij de stofzuiger.
‘Doe dit nou niet,’ zei moesje. ‘Laten we er eerst rustig over praten.’
‘Papa sloeg hem,’ riep Jantina. ‘Daarom is het toen misgegaan.’
‘Wie sloeg hij?’ vroeg Alie. ‘Over wie heb je het?’
‘Over Johan,’ zei Jantina. ‘Hij sloeg Johan.’
‘Praat geen onzin, Jantina,’ zei Rineke. ‘Waarom zou papa Johan slaan? Johan heeft nog nooit een vlieg kwaad gedaan.’
‘Toen we klein waren sloeg hij Johan bijna elke dag. Hij sloeg mij ook. Soms.’
Johan wilde geen jassen meer tellen. Hij voelde in de jaszak van moesje. Een snoepje. Een zakdoek. Van papier, want stof was ordinair. Geen sleutels. Johan wilde sleutels voelen. De andere zak dan.
‘Maar Jantina,’ zei moesje, ‘wees redelijk. Het was een ongeluk. Dat weet jij ook. Papa kon het ook niet helpen.’
‘Het was geen ongeluk,’ zei Jantina. ‘Het was onvermijdelijk. Het moest een keer misgaan.’
‘Je was toen vijf,’ zei Rineke. ‘Als een kind van vijf haar broer een duw geeft dan is dat geen opzet, maar een ongeluk. Van schuld is dan geen sprake, alleen van pech.’
In de andere jaszak vond Johan sleutels. Een dikke bos. Hij telde er negen. Er zat een vreemde sleutel tussen die anders was dan de rest.
‘Nee,’ zei Jantina, ‘dat is niet hoe het gegaan is. Dat is wat papa de politie heeft verteld. Hij redeneerde dat ze een kind niet verantwoordelijk zouden stellen. Toen was het nog onduidelijk of Johan het zou overleven.’
‘Het is toch goed dat hij je probeerde te beschermen?’
Johan voelde aan zijn achterhoofd. De deuk jeukte. Johan wreef met de vreemde sleutel over de deuk. Hij krabde niet. De jeuk zou vanzelf wegkruipen.
‘Hij beschermde mij niet,’ zei Jantina. ‘Hij beschermde zichzelf.’
‘O God, daar gaat ze weer. Jij hebt hem geduwd. Papa niet. Je bent gewoon nog boos omdat papa je jarenlang heeft doodgezwegen.’
‘Nee, dat is het niet,’ zei Jantina. ‘Echt niet. Het was mijn schuld niet. Ik heb hem niet geduwd. De oude Wiskerke heeft alles gezien.’
Johan bekeek de vreemde sleutel. Hij was zwaarder dan de andere. En roestig. Johan hield niet van roest.
‘De oude Wiskerke?’ zei Alie. ‘Wat heeft die er nu weer mee te maken.’
Johan liet de sleutels vallen. Hij zag ze bij de voeten van Jantina. Hij probeerde ze te pakken. Het lukte niet. De hand hield hem nog steeds vast.
‘De oude Wiskerke woonde destijds tegenover ons. Hij heeft gezien wat er gebeurd is. Volgens hem had papa het gedaan.’
‘Als papa er echt iets mee te maken heeft gehad, dan zou die Wiskerke toch allang de autoriteiten hebben ingelicht?’
‘Nee,’ zei Jantina, ‘Wiskerke had andere plannen. De zaken gingen slecht en er dreigde een faillissement. Hij eiste vijfhonderd gulden per jaar. En alle begrafenissen waarbij papa de preek verzorgde.’
Johan verveelde zich. Hij probeerde zich los te rukken. Het lukte niet.
‘Maar waarvoor dan? Wat had die Wiskerke dan precies gezien?’
Johan kreeg een lolly van moesje. Hij likte eraan. Hij smeerde ermee over zijn lippen. Misschien bleven ze aan elkaar kleven.
‘Drie dagen na het ongeval, kwam die Wiskerke aan de deur om papa een voorstel te doen. Persoonlijk, zo fluisterde hij papa in het oor, vind ik kinderen slaan geen probleem, maar u bent te ver gegaan, dominee. Het joch had wel dood kunnen zijn.’
‘Kletskoek,’ zei Rineke, ‘Hoe kun jij dat nu weten?’
Johan drukte de lolly tegen zijn jas. Kleefspul. Hij probeerde nu ook de andere jassen. De jas van Rineke was te ver weg.
‘Ik heb het papa zelf horen zeggen.’
‘Dat lijkt me stug.’
De jas van Jantina was dichterbij. Opeens was de lolly weg.
‘Toch is het zo. Papa heeft het me heus niet zomaar in mijn gezicht gezegd, daar was hij veel te laf voor.’
‘Nou zeg,’ zei moesje, ‘moet dat nou echt. Een beetje respect graag.’
Nu zag Johan de lolly. Hij hing aan de mouw van Jantina.
‘Het is toch waar,’ riep Jantina, ‘of niet dan? Je weet heel goed hoe het gegaan is. Papa was een lafbek.’
‘Wat papa ook gedaan mag hebben,’ zei moesje, ‘hij blijft je vader en je hebt de plicht hem te eerbiedigen.’
Johan deed een greep naar de mouw van Jantina. Mispoes.
‘Ik snap niet dat je dat kunt volhouden. Op den duur kreeg jij immers ook argwaan. Waarom heb je hem er anders mee geconfronteerd? Ging dat soms alleen om die vijfhonderd gulden die jaarlijks in de zak van die Wiskerke verdween? Was dat soms het enige dat je ‘verdacht’ vond? Nee, je had al langer je twijfels. En toen papa uiteindelijk alles opbiechtte, was je net zo goed geschokt als ik. Ik heb immers alles gehoord. Ik kon het niet langer verdragen om in hetzelfde huis te wonen. Maar jij. Jij bent gewoon gebleven.’
‘Dat is een zaak tussen mij en je vader. Jij had ons gesprek niet af mogen luisteren.’
Johan strekte zich zover mogelijk uit. Zijn vingers raakten het stokje van de lolly. Hebbes.
‘Serieus?’ zei Jantina. ‘Wil je soms zeggen dat afluisteren erger is dan je kind verstoten? Niet omdat het kind iets misdaan heeft, maar alleen omdat het iets weet dat de vader in moeilijkheden kan brengen. Wil je soms beweren dat je daar niet zelf bij betrokken was? Ondanks al je verontwaardiging heb je altijd gezwegen. En die leugens over mij en Paardekooper. Dat komt uit jouw koker, of niet soms? Papa had daar de verbeelding niet voor. Dacht je dat ik het niet te horen zou krijgen? Dacht je dat ik…’
Johan nam een lik van de lolly. Bah, de lolly was helemaal vies. Er zat goud op. Johan wilde geen goud in zijn mond.
‘Weet je dan van geen ophouden,’ riep moesje. ‘Mij zo te kwellen.’ Tot Rineke en Alie: ‘Wat staan jullie daar. Doe iets. Leg haar het zwijgen op. Jullie vader zou dit nooit getolereerd hebben. Niet in het openbaar.’
Rineke had wel goud in haar mond. Moesje niet. Bij haar was alles blinkend wit.
‘Onze vader is dood,’ zei Alie. ‘En nu willen we weten hoe het zit.’
‘Ik ga hier geen woord meer aan vuilmaken,’ zei moesje. ‘Ik begrijp niet waarom we deze toestand uitgerekend vandaag moeten oprakelen. Denk toch aan onze reputatie.’
Moesje had vreemde tanden. Die tanden waren niet van haar. Maar van iemand anders. Moesje had ze geleend. De tanden sliepen in hun eigen bed. Op het nachtkastje.
‘En hoe zit het dan met mijn reputatie?’ raasde Jantina verder. ‘Die heb je zomaar te grabbel gegooid. Ik was zestien, mama, en je hebt me gewoon laten stikken. Je hebt me opgeofferd voor hem. Voor zijn hachje. Zodat jullie onbezorgde leventje geen gevaar liep.’
Johans tanden waren te groot voor moesje. Gelukkig. Johan wilde zijn tanden niet missen. Zonder tanden geen snoep. Zonder tanden geen vlees.
‘Je hebt je eigen weg gekozen, Jantina. We hadden geen keus. Als jij gewoon was gaan slapen. Als jij niet was weggelopen. Als jij het niet met die Paardekooper had aangelegd. Dan waren we er uiteindelijk wel uitgekomen.’
‘Die Paardekooper waar jullie zo denigrerend over spreken, heeft me anders wel gered. Als hij me niet in huis genomen had, weet ik niet wat er gebeurd zou zijn.’
‘Dag dames,’ zei de gele jas die Johan al eerder had zien lopen. Tegen Johan: ‘En heer natuurlijk.’
Moesje poetste haar tanden met zeep. Johan niet. Hij gebruikte tandpasta. Driemaal daags. Buitenkant, binnenkant, bovenop.
‘O, hallo meneer Wiskerke,’ zei moesje, ‘Wat goed dat we u nog even treffen. Ik wilde u nog van harte bedanken voor de prachtige en ingetogen begrafenis. Ik wist dat we op u zouden kunnen rekenen.’
Johan had vandaag zijn tanden nog niet gepoetst. De kamer waar de tandenborstel altijd stond, had hij niet kunnen vinden.
‘Daar heb je de jonge Wiskerke,’ fluisterde Rineke, ‘dus zijn vader heeft gezien hoe Johan…’
‘Ja,’ fluisterde Jantina. ‘Zijn vader heeft alles gezien. Maar junior heeft er ook weet van. Er schijnt een ondertekend document te bestaan waarin de hele toestand in detail staat opgetekend.’
Als tanden niet gepoetst worden, groeit er goud tussen. Goud is niet mooi. Zeker niet in tanden.
‘Dank u,’ zei meneer Wiskerke, ‘het was een eer. Ik heb altijd prettig samengewerkt met uw echtgenoot. Ik hoop dat we op uw voorspraak kunnen blijven rekenen?’
Johan wilde niet dat het goud begon te groeien. Hij trok aan de hand om zijn pols. De hand liet nu wel los. Johan deed een stap naar voren. Het ging.
‘U hoeft niet bang te zijn,’ zei moesje, ‘wij zullen ons aan de afspraak houden.’
Johan liep langs de kapstokken. Hij wilde naar de kamer met de tandenborstel.
‘Nou…’ begon Jantina.
‘Het spijt me vreselijk,’ ratelde moesje verder, ‘maar ik vrees dat we nu echt moeten gaan. We worden verwacht op de condoleanceplechtigheid. Bij ons thuis. Als u ons wilt excuseren.’
Johan kon de stemmen nog net horen. Hij liep naar de gang waar eerder de gele jas in was verdwenen.
‘Maar natuurlijk. Al spijt het ons dat u ervoor hebt gekozen om de condoleances thuis te laten plaatsvinden. We hadden u die zorg graag uit handen genomen.’
Johan liep de gang in. Er was daar geen kapstok.
‘Mijn man zou het zo gewild hebben.’
Het werd stil. Aan het eind was een deur met een bordje erop. Dat was de kamer die Johan zocht. Hij wist het zeker. Hij liep erheen, duwde de deur open. Er lag iemand op tafel. Een mevrouw die hij niet kende. Toch de verkeerde kamer. Hier werd geslapen, niet gepoetst. Het hoofd van de mevrouw was scheefgezakt. Er liep iets uit haar mond. Kwijl. Van moesje mocht Johan niet kwijlen. Kwijlen was onsmakelijk en vulgair. Johan wilde de kwijl stoppen. Hij tilde het hoofd van de mevrouw op. Zijn vingers verdwenen in de achterkant van haar hoofd. Er zat daar ook een deuk. Johan keek naar zijn handen. Ze waren vies. Johan veegde ze schoon aan zijn broek. Een vieze broek was minder erg dan een vieze jas. Er klonken opeens weer stemmen.
‘Johan, waar ben je,’ klonk de stem van moesje dof.
‘Johan.’
Johan kende die deuk. Van de handdoekenmachine? Nee, dat was een gladde deuk. Deze deuk was plakkerig. Eerst plakte het, dan ging het jeuken, wist hij. Als die mevrouw nou maar niet ging krabben. Johan voelde aan zijn eigen achterhoofd. Die deuk was niet glad, maar wel plakkerig. Soms. Er was ook jeuk. Johan keek naar zijn handen. Ze waren schoon.

 

Martijn Boven