Maalstroom

Wij zijn Ithamar en Jalaa Lipschitz. We wonen in een kleine joods-orthodoxe buurt ergens in de stad. Waar precies ten opzichte van het centrum durven we niet te zeggen. In het centrum zijn we nog nooit geweest. ‘Onze plek is aan de rand van de samenleving’, zegt vader altijd. Hij zegt dit steeds vaker. Soms met de toevoeging: ‘Dat is al eeuwen zo en zal altijd zo blijven.’
‘Vader is niet langer zichzelf,’ zegt moeder. Dat zien wij ook. Vader gaat er zichtbaar onder gebukt dat hij zichzelf niet is. Zijn bescheiden maar gewaardeerde positie in de gemeenschap is hij kwijtgeraakt. Hij werkte in een fotowinkel en overhandigde mensen enveloppen met hun foto’s. Vakantiefoto’s bijvoorbeeld, genomen door het gezinshoofd, kiekjes van huwelijksplechtigheden genomen door een neef van de bruidegom en foto’s die opa had gemaakt bij de diploma-uitreikingen van zijn kleinkinderen. Geheugensteuntjes van het geluk, noemde vader die foto’s. Nu vader werkeloos thuiszit, graaft hij naar het geluk in zijn eigen verleden, al moet hij het zonder geheugensteuntjes doen.

Er zijn geen foto’s meegekomen uit Polen, wel boeken. ‘Hij was daar iemand,’ heeft moeder ons toevertrouwd. ‘Hij was jong en bezig iemand te worden aan de universiteit.’ Zolang wij vader kennen is hij nooit jong geweest. Er was geen tijd meer voor: er moest brood op de plank. Er is altijd goed voor ons gezorgd, dat zeggen we op ons ere woord, maar we zijn klaar voor de wereld. Nu vader thuiszit, is de drang om te ontsnappen groter dan ooit. Vaders memoires vlotten niet echt; weken ploetert hij al op vellen papier die als propjes in de hoek belanden. We hebben zo’n propje wel eens opengevouwen: ‘Ik ging een krant kopen’ en ‘Dov Ber rookte alsof zijn leven ervan afhing’ en ‘de koolsoep was omgevallen en Sasja likte het van de vloer’. Veelbelovende beginzinnen, vonden we, al zat er weinig samenhang in. We zeiden tegen vader dat de negatieven van zijn geheugen misschien wel overbelicht waren geraakt of waren aangevreten door vocht en ratten. Wij geloofden toen nog in oprechtheid en de troostende werking van woorden. Gebrek aan respect was wel het minste dat wij naar onze hoofden kregen geslingerd. Ook de inhoud van de boekenkast slingerde vader naar onze hoofden. Ieder boek dat hij gooide kopten we terug. We geloofden naast oprechtheid ook nog in standvastigheid. We hebben er hoofdpijn van gekregen. Soms keken we in de boeken die vader had gegooid. Misschien dat hij ons iets duidelijk probeerde te maken. Zo zijn we aan het begrip ‘maalstroom’ gekomen, de waterval aan de rand van de wereld. Als je daarin terecht kwam was je hopeloos verloren volgens oude mythes. Wij willen onszelf verliezen. We willen opzoek naar de rand van onze wereld om daar dan moedwillig vanaf te springen om in de maalstroom te verdwijnen.

 

Asbesteiland
Moeder zegt dat we vader een beetje moeten ontzien. ‘Laat hem maar, hij is een beetje de weg kwijt.’ Om vader te ontzien dralen we steeds langer na school voordat we naar huis gaan. Eerst bleven we een tijdje op de trap van onze school zitten. Later zijn we een kat gevolgd. Deze liep wel drie blokken voor ons uit, heel gedecideerd alsof het dier wist waar het heenging. Alsof het ons de weg naar het centrum wilde wijzen. Vervolgens verdween het beest tussen twee loszittende planken in een schutting.

‘Gevaar!! Asbest in de grond,’ stond op een bord. We kropen de kat achterna en kwamen uit op een braaklandje met hoog gras in het midden. Het was alsof we een eiland hadden ontdekt, een eiland van rust midden in de stad. Asbesteiland werd van ons en we besloten dat de waarschuwing op het bord voor anderen bedoeld was.
Omdat wij steeds langer en vaker van huis wegblijven en vader dus geen boeken meer naar onze hoofden kan gooien, heeft hij besloten ze te verbranden. ‘Ze minachten me,’ zei hij.‘Ze staan allemaal met hun ruggen naar me toe.’
We hebben hem niet tegen gehouden; we hebben het eerlijk gezegd een beetje opgegeven dat het nog wat wordt met vader. Bovendien hebben we aan moeder beloofd vader te ontzien. We hebben wel ons eigen goochelboek uit het vuur geschopt, toen vader even niet oplette en moeder heeft het telefoonboek gered. Ze houdt erg van het telefoonboek; daarin zoekt ze naar familieleden. Iedereen met de naam Lipschitz heeft ze al gebeld. Ze praat met deze mensen. Echte familie heeft moeder op die manier niet gevonden; wel heeft ze er vele nieuwe kennissen aan overgehouden.
Als er in de synagoge naar ons gezwaaid wordt en wij aan moeder vragen wie die meneer of mevrouw dan wel is, dan zegt moeder vrijwel altijd dat ze diegene kent uit het telefoonboek. Soms met toevoeging dat het een achterneef van ons is, of een oudtante, of een bedovergrootstiefzus.
Het is vader niet gelukt alle boeken uit het huis te verbranden; de politie heeft hem een waarschuwing en een boete gegeven. De mensen die naar het vuur kwamen kijken staan er nog steeds. Ze kijken nu naar de verkoolde kaften.’We staan hier voor de zekerhei,’ zei iemand en toen leek het alsof hij nog iets wilde zeggen, maar zweeg. Hij glimlachte alleen maar en knikte met zijn hoofd. Het zijn mensen die graag op straat staan, denken we, nu staan ze even voor ons huis, maar dat kan morgen alweer anders zijn, dan staan ze voor het huis van de buren. We vermoeden ook dat sommige mannen daar helemaal niet staan vanwege vader, maar omdat ze een oogje hebben op onze moeder.
We hebben een mooie moeder; ze is anders dan andere moeders. Over andere moeders zegt ze wel eens: ‘Die hebben zichzelf kapot gebaard.’ Godert Grynbaum staat ook voor het huis en streelt bedachtzaam zijn grijze baard. Op en neer gaat zijn hand en hij mompelt. Grynbaum is een van moeders telefoonboekrelaties. Wat moeder ook beweert, we weten zeker dat hij geen familie is.
‘Ik bid voor jullie,’ zegt Grynbaum de eerste keer dat hij ons staande houdt. ‘Ik bid voor jullie vader en jullie moeder. We zijn een grote familie, begrijpen jullie dat?’
We knikken beleefd dat we weten waar Grynbaum het over heeft. Sinds we vader ontzien, hebben we elastiek in onze nekken gekregen en knikken automatisch, wat er ook gezegd wordt. We kijken vol afschuw en fascinatie naar Grynbaum’s zachtroze lippen. Ze zijn poezelig als van een baby, met daarachter een haag van bijna zwarte tanden.
Als hij spreekt ontsnapt er een vreemde lucht uit zijn keel als van vochtige kelders. Toch kunnen we onze ogen niet van die mond en die tanden afhouden: Er zitten witte stukjes tussen. Terwijl hij praat, maar ook als hij nadenkt slingert Grynbaum onze polsen heen en weer, alsof hij een paard de sporen geeft. Dan bedenkt hij zich iets en laat Jalaa’s arm los om met zijn linkerhand diep in zijn zakken te graaien. Wij denken dat er een gat in zijn voering zit, want zijn arm steekt hij er tot de oksel in.
Even later tovert hij triomfantelijk een pakketje van vetvrij papier tevoorschijn dat bijeengebonden is met een touwtje. Op het pakketje zijn donkerbruine vlekken zichtbaar. ‘Geef dit maar aan je moeder,’ zegt hij en knikt ons bemoedigend toe. Wij blijven staan en knikken bemoedigend terug omdat hij nog steeds Ithamars pols vasthoudt. Het ligt niet langer in onze aard ons los te rukken. Als Grynbaum bemerkt dat hij Ithamars pols nog vast heeft, slaakt hij een kreetje en laat de arm van schrik los alsof het een besmettelijke ziekte is.
Elke dag als wij van school terugkomen, staat de oude Grynbaum ons op te wachten. Soms haalt hij dan weer zo’n pakketje tevoorschijn met bruine vlekken. We zitten helemaal niet te wachten op die pakketjes, omdat er koosjere stukjes vlees in verpakt zijn die vervelend doorlekken op de boord van ons overhemd. Van onze onbuigzame periode is alleen nog de onberispelijkheid overgebleven. Ook de goochelaar is onberispelijk. Maar onze moeder is blij met de pakjes vlees. We doen het voor haar.
In ons huis wordt niet langer gesproken omdat vader zich moet concentreren. Zelf spreekt hij nog wel, zo nu en dan, of liever gezegd, hij schreeuwt het soms uit. Maar dat is niet erg; we zijn zo gewend vader te ontzien dat we het niet eens meer horen. Als vader een stap naar voren doet, doen wij een stap naar achteren, waardoor hij in werkelijkheid niet vooruitkomt maar stilstaat. Als hij schreeuwt om een pen, doen we net alsof we hem niet horen. We doen zo ons best vader te ontzien dat hij onzichtbaar is geworden. Niet alleen vader, maar ook de mensen op de stoep zijn als spoken voor ons. We nemen werktuigelijk de pakketjes vlees van Grynbaum in ontvangst; we knikken tegen de mensen in de synagoge, maar we zien ze niet. We knikken als robots. Robots met een keppeltje op en met pijpenkrullen. Robots die Ithamar en Jalaa nadoen. Alleen op het braaklandje zijn we geen robots, dan zijn we goochelaars. Ons publiek bestaat uit buurtkatten, maar die nemen we uiterst serieus. Wij bestaan alleen bij de gratie van ons publiek. Ons overhemd is gesteven; onze zwarte jassen wapperen in de wind. We trillen soms van het verlangen te ontsnappen via de maalstroom die ons naar het centrum leidt. De plek waar mogelijkheden geboren worden en kansen zich aandienen.
Onze hoge hoed op de sabbat lijkt op die van de anderen, maar uit die van ons toveren we soms cavia’s. De cavia’s hebben we uit de onderdelenwinkel van Karimi. Hij verkoopt er snoeren, schroeven, peertjes, computers en plakband en toen ineens ook cavia’s. Het stond met een dikke stift op een kartonnen bord geschreven, dat buiten op de stoep stond.

De dikke Libanees zei dat hij ze aan de straatstenen niet kwijt kon. Wij mochten ze hebben. Inmiddels zijn de cavia’s opgegeten door de buurtkatten, of in elk geval doodgemaakt. Ons publiek hebben we nog niet helemaal in de hand; ze gaan aan de haal met onze props. Maar we kunnen nog vele andere dingen; ons goochelboek staat vol met trucs. We toveren kaarten en muntstukken uit de lucht en uit onze oren of andere lichaamsdelen. Uit de pijpenkrullen van Jalaa komen soms zelfs vrolijk gekleurde slingers. De mogelijkheden zijn onuitputtelijk op asbesteiland.

De sprong naar voren
Ons ontsnappingsplan groeit en wint dagelijks aan spanning en vermogen. Ze is haast als een boek dat zich ontspint en waarin wij ons kunnen verliezen en waaruit we voldoening kunnen halen nog zonder dat het ten uitvoer wordt gebracht. Maar we weten dat het onze grootste truc ooit zal worden, de illusie die alle andere illusies zal overtreffen.

Op een dag zien we Grynbaum bij ons huis staan. Zoals altijd begint hij, zodra hij ons ziet, in zijn jas te graaien. Maar dit keer zijn we sneller bij hem dan anders. We zien het dode haar in zijn grijze baard en we zien zijn op elkaar geperste poezelige lippen en we kunnen ons niet langer beheersen. Er maakt zich een vreemd soort begeerte van ons meester, een diep verlangen om hem pijn te doen.
We blazen naar Grynbaum en slaan onze klauwen uit. Hij deinst achteruit en struikelt van verbazing over de stoep. Wij duiken op hem met opgezwollen staarten van woede en krabben aan zijn gezicht. We krabben het open. De andere omstanders komen geschrokken naderbij en rukken ons van Grynbaum af. We vluchten naar binnen met stukjes huid van Grynbaum’s gezicht onder onze nagels. In de keuken springen we op het aanrecht en likken aan de druppende kraan. Moeder die vader in de woonkamer aan het verzorgen was komt verschrikt de keuken in. Ze sommeert ons van het aanrecht af te komen, maar we zijn buiten onszelf en blazen ook naar haar.
We rennen de trap op naar onze kamer en gaan daar in de vensterbank zitten en likken aan onze pijnlijke polsen. Als de rust is wedergekeerd op straat kalmeren ook wij langzamerhand. Door het raam zien we dat Grynbaum en de andere omstanders zijn verdwenen en als moeder binnenkomt om te zien hoe het met ons gaat, geven we kopjes tegen haar blote kuiten.