Metropolis X – 1.1. Opstand der Barbaren feb03

Trefwoord

Overeenkomstig schrijftuig

Metropolis X – 1.1. Opstand der Barbaren

We schrijven 1 juni 1854, pension La Cravache, vroeg in de ochtend.
Iets tikt tegen de kamerdeur, maar Cornelis Borgman weet direct wat het is. Het zijn morsecodes van Madame Bernard dat hij op moet staan. Ze houdt er niet van als op woensdag haar gasten, inclusief de permanente bewoners, in het pension blijven. Woensdag is schoonmaakdag en dan heeft Madame het liefst dat haar gasten pas tegen de avond weer terugkomen. Borgman komt kreunend overeind.
Zoals iedere maand is hij gisteren bij graaf Ferand Mestisse geweest om te musiceren. Die vreemde muziek die nergens anders wordt gespeeld, al beweert de graaf dat er in Parijs zo nog een paar van die intieme clubjes zijn waar men Bach speelt. Liefhebbers van moderne muziek noemt hij ze. Mestisse was met Bach in aanraking gekomen door de Oostenrijkse filoloog Otto Jahn die als jongeling in de jaren dertig door Frankrijk had gereisd en onlangs met anderen de Bach Geselschaft in Leipzig heeft opgericht. Borgman meent in zijn sluimerende halfslaap het klavier nog te horen, alsof de Engelse suites na vele malen oefenen een permanente afdruk hebben achtergelaten op de wasrol van zijn geheugen.
Ondertussen is het getik tegen de deur steeds erger geworden. De zwabber van Madame Bernard die zogenaamd per ongeluk tegen zijn deur zwiept, lijkt inmiddels op een op hol geslagen metronoom; Borgman komt kreunend overeind en grijpt naar het oude zakhorloge van zijn vader dat op het nachtkastje ligt. Nog versuft van de slaap zet hij zijn blote voeten op de vloer. ‘Oui, je vivre’, roept hij om Madame Bernard weg te jagen, en zowaar, het geklop versterft. ‘Idioot mens.’
Borgman kijkt in de spiegel en denkt aan de vorige avond. Het is laat geworden al heeft hij gelukkig niet te veel gedronken in verband met zijn afspraak. Hij gooit water in zijn gezicht, wast zijn bovenlichaam kortstondig met zeep en een washandje en kleed zich snel aan. Hij twijfelt nog over zijn schoenen, aan de natte ramen te zien is het weer nogal wisselvallig.  Zijn nieuwe schoenen zouden vies kunnen worden. Aan de andere kant is het een zakelijk treffen en dan is het beter goed voor de dag te komen. Waar had hij die schoenen anders voor gekocht?
Op schoenen van grijs gemzenleer en gewapend met paraplu gaat hij de gang op en begroet madame Bernard met een gespeeld blijmoedig ‘Bonjour’. Ze knikt nors maar zwabbert stoïcijns verder. Op straat mengt Borgman zich in de menigte van de Rue Dauphine. Even overweegt hij een aapje te nemen, maar hij bedenkt zich want het rijtuig zou door de werkzaamheden eindeloos moeten omrijden. Hij zou vrijwel zeker te laat komen. Borgman gaat dus te voet en de paraplu laat hij opgevouwen als een wandelstok want de regen mag geen naam hebben.
Borgman neuriet zachtjes de ouverture van Bachs Engelse suites voor zich uit. Zonlicht danst tussen de wolkenflarden door. Licht, donker, licht, donker, licht.De schaduwen dansen over straat als de figuren van een toverlantaarn. Het is druk op het plankier en Borgman besluit zich even terug te trekken in het portiek van een half gesloopt gebouw. Hij bestudeert de haast geologische lagen van de sloop. Baksteen, leem en riet liggen in prachtige schakeringen naast elkaar. Een slaapkamer toont, haast obsceen, haar gehavende binnenkant. Het behang is afgebladderd en een vergeten stoel ligt op zijn kant tegen de muur. Al die herinneringen die worden vermalen tot stof en gruis. Ondanks zijn fascinatie voor de nieuwe tijd, stemmen die veranderingen hem soms ook melancholisch. Dingen veranderen sneller dan vroeger, is zijn stellige indruk.
Vanuit zijn schuilplaats ziet Borgman de mensen voorbij komen. Marktvrouwen met gedroogde vis op hun hoofd, heren in pak met een krant stram onder hun arm gestoken, behendige straatverkopertjes en schoenpoetsertjes, allen op weg naar het treinstation. Hij ziet waterdragers naderen. Ze schreeuwen tegen de stratenmakers dat ze aan de kant moeten. De wegwerkers, op hun beurt, negeren de waterdragers en gaan stug door met hun werkzaamheden. Ze stoppen alleen zo nu en dan om hun rug te rechten en het vuur in hun stenen pijpjes aan te jagen. Er is een vreemd soort arrogantie in hen gevaren en in al die boerenknapen die van heinde en verre naar de stad zijn getrokken voor de publieke werken. Herauten van de nieuwe tijd worden ze in de kranten genoemd. Borgman heeft al eens gezien hoe slopers onder politiebescherming triomfantelijk een wijk binnen marcheerden als soldaten met pikhouwelen over de
schouders in plaats van geweren.
Net als hij besluit weer verder te gaan, wordt hij door een man met een snavel terug in het portiek geduwd.‘Dit is een waarschuwing van een vriend’, zegt hij met een gruizige stem, ‘Maak je zo snel mogelijk uit de voeten.’ De man is gestoken in een musketierspak en even denkt Borgman dat het een grap is van zijn vriend Joris Rapalje, zojuist weggelopen van een gemaskerd bal. Maar het is Rapalje niet en deze man klinkt dreigend: ‘Het is niet jouw moment’, vervolgt hij, ‘Zorg dat je verdwijnt voordat alles in de war loopt.’ Dan draait hij zich om en verdwijnt in een zijstraat. De witte veer op de hoed van de musketier is het laatste wat Borgman om de hoek ziet verdwijnen. Het is alsof er niets gebeurd is, niemand behalve Borgman lijkt de musketier te hebben opgemerkt. Het is niet jouw moment, een vreemde waarschuwing en hoezo zouden dingen in de war kunnen lopen?
Steeds meer mensen passeren hem. Vrouwen haasten zich voorbij, kinderen klemmen zich als trossen van een heteluchtballon aan hun opwaaiende rokken. Borgman denkt aan bosdieren die op de vlucht zijn voor een brand. Maar er is geen sprake van brand. De hitte is afkomstig van een eskadron van de bereden politie die op de massa inrijdt om mensen de steegjes in te jagen. Dan begint iemand te roepen. Borgman kan niet thuisbrengen wat het is. De vreemde kreet wordt overgenomen door de anderen. ‘Doem! Doema!! Doem! doemaaaaA!!! Doem!’ Het doet Borgman denken aan een barbaars oorlogsrefrein of het drumlied van Egyptische galeislaven.
De mannen en vrouwen in vodden, mensen uit de armste wijken van de stad, minderen ineens vaart en draaien zich om alsof niet zij, maar een collectief brein een besluit heeft genomen. Als gehypnotiseerd lopen ze terug in de richting van waar ze vandaan komen. Er klinken schoten en het gezang zwelt aan.
Borgman beseft dat hij zich in een massabetoging bevindt. Een van de velen waarover hij had gelezen in de kranten en hij weet hoe gevaarlijk dat kan zijn. Hij moet weg zien te komen, maar dat is onmogelijk. Borgman zit ingeklemd tussen stevige schouders en hij voelt hoe magere handen zich aan hem vastklampten en hem betasten. Zijn neus wordt geprikkeld door de geur van rook en zweet. Het duizelt hem. Angstaanjagend lachende gezichten hangen als lampionnetjes boven hem in de lucht. Hij wil schreeuwen, maar er komt geen geluid. Langzaam maar zeker zakt hij naar de onbekende diepte van een groot zwart meer zonder oevers. Borgman wordt overvallen door een gevoel van spijt en het laatste waar hij aan denkt zijn de nieuwe schoenen van zacht gemzenleer. Die zijn nu zeker verpest.