Ten aanvang

In het heimelijke der aardkloot groeit het kruipend Vocht al voller. Het slokt en sleurt het hart uit de aarde. Al loerend naar een vergeten schimmel die daar huist. Die schimmel is de laatste en de eerste, de droom en de dromer, de dans en de danser. Ja, hij is het die zich daar al jaren ophoudt en al die tijd volhardt in zijn zinloze bijzijn. Er is voor hem geen uitvlucht. Voor wat hij doet is nergens grond.
Aldaar een vlerk die, de schimmel toebehorend, met bevende rimpels op de muren kladdert. Steeds dezelfde woorden. Steeds dezelfde. Niemand bevroedt waarom die schimmel dat uitvreet. Niemand die zich daarover opkookt. Alleen het Vocht misschien. Want als het Vocht reuk krijgt van de drek die zijn muren aankleeft, ontwaakt er een overmatige ergernis in zijn gemoed. Telkens als die schimmelige vlerk over de muren gaat, snelt het Vocht toe – kennelijk ruikend dat er gekladderd is, kennelijk weet hebbend van wat die schimmel vermag – om de drek te verslikken en te verteren. Maar de schimmel ontspringt steevast het drieste slikgeweld.
Weet die schimmel dan niet dat het Vocht op hem en zijn drekstoffen aast? Is die schimmel soms doof en blind voor wat hem het meest nabij is? Die schimmel is niet onkundig in dezen. Hij heeft weet van het Vocht en diens slokkende slikorgaan. Maar wat het vocht begaat, beklemt hem niet.
Wat beweegt die schimmel eigenlijk om zo tekeer te gaan? Is er soms een God wiens bevel hem schraagt? Wie dat denkt, heeft geen kennis. De schimmel behoeft geen God. Hij is het zelf die insisteert op het werk van zijn vlerken. De schimmel weet dat allengs zal blijken dat het hardvochtig schuren niets vermag tegen zijn dralend drek.
Het Vocht neemt nogal wat aanstoot aan die schimmel. Het rept zich niet voor niets zo haastig naar de bevlekte muren. Denk nu maar niet dat het Vocht zo proper is. Alsof die muren zelf gewichtig zijn. Nee, het is die schimmel waarop het Vocht jaagt. Diens dubbelzinnige drek geselt zijn wateren met zwakte en verwekt stormen en donderbuien in zijn gemoed. De strikte strekking van het gekladder ontgaat het Vocht volkomen. Nochtans, verstaat het de tong der tegenstand.
Als het Vocht zijn verterende werk heeft verricht sluipt het terug naar zijn hoek. Zit daar te mokken, alsmaar speurend naar die schimmel. Het Vocht wacht wel. De afloop zal vanzelf wel komen. De afloop van die zich zo traag voortslepende, oeverloos murmelende duur. De afloop van die schimmel. Dat is immers degene die telkens weer het leven oprakelt, daarbij de almachtsfantasieën van het Vocht weerleggend met enkel zijn bijzijn.
Die schimmel komt van nergens. Niemand heeft weet van zijn komaf. Hij is zijn eigen oorsprong en ondergang. Dat was zo en dat zal zo zijn. Het feit dat het Vocht ook daar is, ontzenuwt niets. Want waar het Vocht opdoemt, is de schimmel nooit veraf. De een lokt de ander uit. Het vocht schuurt, de schimmel kladdert.
Die twee houden elkaar zo aardig bezig. Tot op een dag een spinachtige langsdaalt. Die langzame betweter is, tegen elk advies van zijn verwanten in, naar deze laag gelegen streken afgezakt om daar het grote avontuur te beleven. Al die tijd op die schimmel loerend heeft het Vocht geen oog gehad voor andere zaken, totdat het opeens die spinachtige bespeurt en zich bevraagt hoe lang die daar al is. Het Vocht wendt zich daarom bruusk af van de schimmel en zijn gekladder om die spinnige nieuwkomer te gaan beloeren. In de hoop dat daar wat te behappen valt.
De schimmel is ondertussen, als alledag, langs de muren aan het gaan. Het Vocht – dit kennelijk niet ruikend, kennelijk nooit geroken hebbend – is in zijn hoek, begluurt spinachtigheid. Vergeet het gekladderde. Vergeet te verslikken. Vergeet te verteren. Het heeft enkel oog voor de nieuwkomer. Al loerend laat het Vocht de spinachtige langszij gaan. Vervolgens voltrekt het slinks een omtrekkende deining, om zo de spinachtige te kooien op het vermagerende droge. – Zie nu toch die armzalige, nietsvermoedende, nergenskwaadziende tegenvoeter, die daar doelloos doemdwaalt, geen idee hebbende van de netelige nadering die hem weldra geheel omringt.
Het Vocht woekert voort totdat de spinachtige voelt nattigheid. Met stille trom weerom willend, stuit hij aan alle kanten op een listige waterhinder. Hij wordt genadeloos gevloerd door het deinend nat. Het Vocht buldert en scheldt hem zijn soppende huid flink vol, terwijl het spinachtig wezen geen idee heeft wat hem treft. Hij spartelt glansloos tegen en probeert zich een pad te banen door de mateloze vloed.

 

Er is nog leven in die spinachtige. Maar spaarzaam. O zo spaarzaam. Hij spartelt. Tast doelloos niet bestaande randen af. Het Vocht slijmt en slurpt aan hem, ontrukt zijn lijf het aanzijn. De spinachtige begint daarop te ontwezenlijken en raakt danig van slag. Het Vocht aast met steeds flinker wordende buitensporigheid, de triomf reeds bevroedend.
De spinachtige, nu gewis creperend, kan niet meer ontglippen. Tergend taai verloopt evengoed diens ontvleeslijking. Uur na uur verzet die spinachtige zich tegen zijn onoverkomelijk lot. Hij haalt zich de razernij van het Vocht op de hals, dat zich voorneemt hem voorgoed te verschrokken. Niemand zal ooit meer iets van die spinachtige vernemen, zoveel is zeker.
Ondertussen verstrijken de uren. De schimmel gaat opnieuw langs de muren. Als alledag kladdert hij hetzelfde. Zijn gekladder wordt alweer niet opgemerkt. Het Vocht heeft andere bezigheden. Ten derde maal herhaalt zich dit. Het gekladder heeft zich nu over alle muren uitgespreid en ligt daar in dikke lagen te sluimeren. Het Vocht ruikt en ziet niets en is nog steeds talend noch tekenend naar iets anders dan die verpieterende spinachtigheid. Het zwelgt slechts in zijn slokkende sleuren.
Het spinse lijf vervalt aan het Vocht, dat het rap doordrenkt en naar zijn inwendige slijkt. Dan is eindelijk de spinachtige vlezigheid verteerd en weggevaagd. Het Vochtelijk hart vult zich met een trompetterende triomf vol van gevallen-engelenzang. Helaas voor het Vocht komt de euforische einder maar al te snel in zicht. Tijdens zijn spinnige spijsvertering heeft zich iets onherstelbaars voorgedaan. Het gekladderde heeft zich opgericht.Een schreeuw weerklinkt. Het Vocht hapt haastig naar de overal verspreide drek. Het stuurt stormen uit en ramt ze razend tegen de muren op. Het Vocht borrelt en bruist, kronkelt zich in alle bochten. Er is echter geen houden meer aan. Het is te laat. Aan het gekladder ontspringt reeds een slijmend afdruk, een opwaartse kliederdwarrel. Meteen oprukkend naar omhoog, naar bovengrondse woeste ledigheid, om aldaar de boel te besmeuren met zijn grut. Onderwijl balt een Vochtige vuist zich in onmacht tot bellen.
Daarboven op de korsten van die gigantische aardkloot plant het vruchtbare grut zich razendsnel voort. De een na de ander steekt de kop op om even snel weer te verdwijnen. Totdat er een schurftige tweebenigheid ontspruit. De eersteling van zijn soort: een verhaler. Een adamitisch pestgezwel, mensdier vol versneden goddelijkheid. Om hem kliert fluks een meute van disparate creaturen heen en hopla een miskleun lekt aldus op het klakkeloze kladje — den aanvang.

 

Ver beneden in de schimmige krochten van het binnenste der aarde volhardt die schimmel nog steeds in zijn roekeloze drekfestijn. Ook het Vocht is daar nog en raast daar rond, het schuurt de muren glibberig glad. Niets houdt daar nog stand en onder de schimmelige vlerken bladdert de kladderrommel al snel weer af. Het baat het Vocht niet, want bovengronds verhaalt de verhaler van een nieuw geslacht dat nu stemhebbend en spraakmakend is.

 

Petrus Spasmati