Yorick, een held van onze tijd
Dit is een klein dorp. En zoals alle kleine plaatsjes heeft het iets weg van een muziekdoos die zijn toneelstukje begint af te draaien zodra er een vreemde binnenkomt. Verwonder u dus niet, vreemdeling, over wat u te zien krijgt als u hier binnentreedt. Het is het bekende liedje en veel van hetzelfde.
Het dorp kent verschillende bonte personages die u allen kunt ontmoeten. Kom dus binnen, aarzel niet. U bent welkom zoals elke vreemdeling welkom is in kleine plaatsjes.
Het kost u niets. De toegangskaartjes die ik nu voor u zal knippen, zijn alleen maar voor de grap. Een attractie laat u zich toch niet ontgaan? Tot lering en vermaak. Van uzelf en anderen, dat spreekt.
Vergeet niet de attributen en lekkernijen aan te schaffen die bij de ingang aan de man gebracht worden door heuse schavuiten.
Ja, kunnen we beginnen? Daar gaat ie.
Onze held staat vooraan op het mechaniek dat trouw zijn rondje draait. Het krakende gejengel van een verouderd draaiorgeldeuntje dringt al in uw oren. Nu vermengt het zich met stemmen.
Daarmee is het pijnlijke moment aangekomen dat u tot de ontdekking komt dat het een en ander minder soepel verloopt dan u is voorgespiegeld. Gezien u toch niet anders verwachtte van eenvoudige dorpelingen, kunt u veilig concluderen dat dit soort kleine ongeregeldheden de authenticiteit van het gebeuren alleen maar vergroten.
Maar kijk. Daar zijn ze. De eersten, de laatsten. Het koor, het decor. Wie luistert, kan ze horen:
‘Mijn God, waar is Yorick nu weer?’
‘Niet hier, dus elders.’
‘Ik kan uw woorden niet betwisten, maar of ze zinvol zijn?’
‘Niet dwazer dan uw vraag die niet aan mij gericht, toch van mij een antwoord verlangt.’
U hoort het, we zijn bij het punt aangekomen waar Yorick, de bezienswaardigheid, de held waar u allen voor bent gekomen, kwijt is.
Kwijt?
Jazeker, kwijt. Maar wees niet bang, we vinden hem wel weer terug. Ondertussen vermaakt u zich gewoon met de anderen.
Kijk, daar staat Marietje de ramen te lappen. Ziet u haar robuuste rondingen? Haar gezonde, opbollende wangen, rood als een glanzende knikker?
Wat een vrouw. Zo ziet u ze nergens meer. Of wel dan?
Maar wacht, daar is Yorick al. Ziet u hem?
Dat is ongetwijfeld Yorick. Ja hoor, daar komt hij. Applaus.
Yorick! Yorick! Yorick!
Hij draait zich zwierig naar u toe en u ziet zijn ruige gezicht, het haar – dat hij per se zelf wil knippen – staat in rare plukjes op z’n kop, zijn baard idem dito. Zijn kleren zijn niet van het meest frisse soort; ze hebben een onbestemde kleur en zitten vol gaten. Of ze ook stinken? Dat weten we eigenlijk niet. We zullen navraag doen. Voor we het vergeten: bij de uitgang kunt u precies zulke kostuums aanschaffen, gegarandeerd authentiek (stank kan naar eigen inzicht worden toegevoegd).
Yorick is onze held. Hij is ons brakend orakel. Hij is zwanger van taal en bedient iedereen met de noodzakelijke spraakverkaveling. Zelfs deftige dames voelen zich niet te min om bij hem het woord te genieten. Ziet u maar, daar draait een keurige juffer zijn kant op. Het orgeldeuntje zwelt aan, doet extra zijn best voor deze jongedame. U ziet haar stralen. Wie zou niet glunderen van genot bij zo’n begeleiding? Wie heeft ooit zoiets gehoord? Het krakende gejank beroert ieders hart. Maar sssst. Stil nu. Het deuntje ebt weg, gaat over in een zacht fluitend steunen. Flarden van spraak, van woorden, van taal, van beschaving drijven langzaam naar ons toe. Sssssstttt. Hoor! Luister! De juffer spreekt!
‘Dag Yorick.’
‘Mejuffer,’ vermaant hij, ‘beman u. Beroer alle wonderen wijdbeens.’
‘Yorickje toch.’
‘Ik spreek u. Gris, graai en grijp wat kan.’
‘Dat is toch niets voor mij.’
‘Juist voor u is dit de wereld. Verstik elk sniklawaai in smoor. Als u reetvervening naspoort, is de aftel funest. Ga heen en verbeter u.’
‘Ik doe mijn best.’
‘Ga nu.’
‘Goed dan,’ zucht de juffer theatraal. ‘Daaaaag Yorick. Daaaaaag.’
En weg draait ze. Het deuntje zwelt weer aan. En hier moeten wij u waarschuwen. Het mechaniek, dat door jaren van trouwe dienst wat roestig is geworden, zal zo meteen voor even blijven steken en een hemeltergend lawaai voortbrengen. Pakt u dus de gehoorbeschermers die u, als u verstandig bent geweest, bij de ingang gehuurd hebt. Hebt u ze op? Ja? Mooi zo. Wat is er? U hebt er geen? U dacht dat het niet nodig was? Hoe kunt u? U veracht ons. Schande! Maar goed, u hebt uzelf ermee. Wij staan niet voor de gevolgen in. Daar komt ie. Zet u schrap.
Griejoeenoeernnooeeneeioseooween.
Griejoeenoeernnooeeneeioseooween.
Zoals het bordje bij de ingang meldt (u hebt het ongetwijfeld over het hoofd gezien) zijn wij niet aansprakelijk voor blijvend gehoorletsel, noch voor psychische klachten of wat voor andere flauwekul u ons ook in de schoenen probeert te schuiven.
Versaag niet, er staat u nog veel fraais te wachten. Iedereen kan hier zijn hart ophalen aan het leven van toen en nu en altijd.
Verderop ziet u de residentie van zijne excellentie de burgervader, alwaar de burgermoeder haar dagen in ledigheid slijt en af en toe een nieuwe burger baart.
Maar helaas, niet ieder wordt als burger geboren. Uit de moederlijke vruchtbaarheid lekt ook geregeld een kwajongen weg. Opgeschoten tuig, zonder moraal. Als zij in zicht zijn zakt het deuntje in, het kruipt weg in een doffe, zoemende toon. Hun branie doet elk verzet verstommen.
Behalve dat van Yorick dan. Hem deert het niks.
‘Yorick is op Maaike. Yorick is op Maaike.’
‘Weet waarover gij spraak hebt, voor u het speeksel strooit.’
‘Romke heeft het ons zelf verteld. Yorick is op Maaike. Yorick is op Maaike.’
‘Geef die Romke toch de bons heren behouders. Hij heeft, ermee leurend en daarbij al lang bekendstaand als experimenteel zwever, zijn tobberige preken erin geschoten bij de flemende menschijt. Die zooi is de knollen te kaal, ik verzeker. Hij leugent en dies praatje komt allemaal neer op: hijs je kittel op stok en wrijf je kapot. Je lazarus zeker, ik vertik.’
En daar gaan de kwajongens weer, minuten later echoot hun gelach nog steeds over het plein. Het deert Yorick niet, hij is onaanraakbaar. Alles glijdt van hem af. Nou ja alles, bijna alles dan.
Houd u vast, we maken een scherpe draai nu en zwenken in de richting van wat bekend staat als het dorpsplein, compleet met standbeeld (volledig onder de duivenkak, dat spreekt) en fontein. Op het plein vinden we ook Romke, een flamboyante verschijning, wijd en zijd bekend als weldoener, uitbater van onze enige bezienswaardigheid: zijn vrouw Maaike, die voor een paar gulden uit haar broekje glipt.
Daar komt Yorick.
Yorick, zo moet u weten, heeft de gewoonte om bij het huis van Romke een kleine tirade ten beste te geven. We hebben enkele fragmenten uit zijn repertoire geprogrammeerd, maar zijn daarbij uiterst terughoudend geweest. U mocht eens een verkeerde indruk krijgen van onze edele held. We hebben het goed geacht om u de laatste dag te tonen. De dag dat de aarde neemt wat ze gegeven heeft. De dag dat onze held onaangekondigd heengaat.
Waarom we juist voor die dag gekozen hebben? Laten we het er maar op houden dat dit in het kader van de ‘authenticiteit’ zo georkestreerd is.
Zie Yorick daar nu toch staan. Een mens in lijf en leden, menselijker dan mens en hij spreekt en u hoort wat hij over Romke zegt:
‘Dat knolletje benig sjort hier zijn dierbare santenkraam, ment hengstig die hand en kliedert zijn spul in ons aangezicht. Die heleke huil, is ook de giftige reden ervoor dat ‘t kind zich met bier mest. En dat aarsworm vuurt foei en offert wild heet vlees bij dat kind.’
Romke, normaal de goedheid zelve, ergert zich al weken aan het vrijpostige getier van onze Yorick. Hij vermoedt, zo is ons uit betrouwbare bron bekend, dat er iets venijnigs schuilt in Yoricks gebruikelijke razernij, maar hij begrijpt niet wat.
Zoals gebruikelijk beantwoordt Romke Yoricks tirade ook vandaag met de keiharde rechtse waarmee hij het gezicht van Yorick steeds verder in model kneedt. Romke haalt uit en straft het ijdele gebruik van zijn naam. Maar let op. Dit keer is het anders. Dit keer is verspringt er iets. De vuist mist doel en raakt Yorick vol op het strottenhoofd. Er kraakt iets. Lucht wordt afgesneden. Gerochel volgt.
Ons aller Romke, de vriendelijke filantroop die zijn bezit ridderlijk met eenieder deelt, beging de ultieme daad. De daad waar ieder mens van droomt, maar die vrijwel niemand voltrekken durft. De grote Romke, hij is de man, hij is de mens. Zijn adem kookt, zijn ogen dralen. In zijn bloed fluistert het onherroepelijke.
Uit Yorick ebt het leven weg. De schaduwen van de nacht glijden over de stoffelijke resten van wat ooit een held was. Het bloeddoorlopen daglicht likt zijn wonden achter de horizon. De bomen buigen door van smart.
Maar niet getreurd. Wie goed kijkt ziet dat de dood een geboorte is. Helden wisselen elkaar af. Het publiek is wispelturig, u, die zelf bij die naam genoemd wordt, weet dat als geen ander.
De nacht daalt. Het doek valt. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de laatste dag.
*
Tromgeroffel kondigt een nieuwe dag aan. Trompetten schallen.
Twee fraaie figuren draaien nu uw kant op. Ze zijn met recht de trots van ons dorp. Ze lezen en schrijven, praten en kijven. Niet met ons. Och nee. Dacht u dat echt? Met elkaar natuurlijk. Het is een tweeling. Langbenig, mager en rap van tong en leden. Ze worden Feemke en Zebed genoemd. Applaus dus maar.
Feemke! Feemke!
Zebed! Zebed!
Wat is dat nu? Doet u niet mee? Voelt u zich te min voor deze volkse vreugde? Gunt u deze stumperds dan niets? Zie ze daar nu in hun volkse plunje, hun schunnige vodden. Durft u te lachen?
Nou dan.
‘We hebben het hier eerder over gehad,’ zegt Feemke, ‘maar ik vraag je nogmaals: Wat is er duurzamer dan een hol, een huis en een paleis?’
‘Het gevang,’ antwoordt Zebed grinnikend, ‘want dat bouwsel overleeft wel duizend huurders.’
‘Je gevatheid mag ik wel. Het gevang voldoet, maar niet voor allen.’
‘Dan moet ik je alsnog een antwoord schuldig blijven.’
‘Schuldig ben je en je zult het blijven,’ zegt Feemke, ‘als je in al je wijsheid niet meer vermag. Denk beter na.’
‘Al wat ik vermag is zwijgen,’
‘Wat graaft uwe edele elke dag?’
‘Een kuil voor een ander,’ zegt Zebed.
‘Dat noemt men ook wel…,’ moedigt Feemke hem aan.
‘Een graf! De naam is even helder als uw beweegredenen duister zijn.’
‘Wie woont er in die ondergrondse woning?’
‘De dode die niet langer op aarde wonen mag.’
‘Maar wel eronder. Voor hoelang?’
‘Aha. Ik volg uw listig spel, men is gedoemd daarin te wonen tot de jongste dag.’
Op dat moment draait er een eigenstandig heerschap het schouwspel binnen. De timmerman. Hun vader bovendien. Ze maken een buiging en doen een stap opzij.
‘Alaska!’, roept de timmerman naar het lege graf. ‘Arme Yorick. Ik kende hem. Hora est. Een knaap vol van grapgrage scherts, vol muitende lichamelijkheid; hij heeft de duizend dagen op zijn rug gedragen; en nu! hoe gegruweld is alles wat hij ooit bedacht! Mijn maaginhoud verheft zich en rompelt om. Hier hingen die lippen die zo kusbaar waren; en zijn gekust, o ja! Waar is nu je grap en grol? Je huppelende hups? Je liederlijke lied? Je fluimen vol praatdragende pret die ieders strot deed razen? Niets dat onze spot begrijnst? Geheel ontmoedigd nu?’
De tweeling klapt. Ze grijnzen naar hun vader. Met grote stappen rennen ze naar hem toe. Omhelzen hem. Ja, verdrinken hem bijna in hun spraakwater.
*
Het is een klein plaatsje. Een dorp. Geconserveerd en uitvergroot voor uw plezier. En zoals al dat soort plaatsjes heeft het iets weg van een muziekdoos die zijn toneelstukje begint af te draaien zodra er een bezoeker binnenkomt. U vertrekt weer, maar het dorp draait door. Eeuwig en onveranderlijk.
Wij danken u voor uw komst, wensen u een prettige reis en wijzen u nogmaals op de vele aangename genotsmiddelen die u bij de uitgang aan kunt schaffen. Vergeet ook niet het evaluatieformulier in te vullen. Daaaaag. Tot ziens. Daaaaaag hoor.
Petrus Spasmati, een mensenvriend